Verdringing: Een kritisch essay over Freudiaanse theorie

Play

Sigmund FreudIn een tijd dat de theorieën van Sigmund Freud het hoogtepunt waren in de psychologie, was de Vlaamse denker Jan De Laender een van de eersten die op de fouten van Freud wees. Dit was enorm controversieel. Het feit dat hij tegen de stroom inzwom werd hem niet in dank afgenomen. Hij raakte in ongenade bij andere professoren en moest buiten de universiteit werk zoeken. Vandaag beginnen we een reeks waarin we een essay van Jan De Laender voorlezen. In zijn essay Verdringing gaat De Laender in op een aantal theorieën die Freud verkondigde. Bekijk ook Deel 2

Voorwoord
Goeiedag, het is vandaag zondag 6 september 2009, ik ben Jozef Van Giel en dit is de 27ste aflevering van deze podcast. Deze aflevering kwam tot stand dankzij de medewerking van Rik Delaet. Vandaag beginnen we een reeks waarin we een essay van Jan De Laender voorlezen die gaat over een aantal theorieën die door Freud werden verkondigd. We willen de weduwe van Jan De Laender bedanken die ons toestemming gaf om deze tekst te gebruiken. Wie niet kan wachten tot het einde, kan hier de volledige tekst al lezen.
Wie is Jan De Laender?
Jan De Laender heeft psychologie en criminologie gestudeerd in Leuven. Hij maakte een eindwerk over Freud. Toen hij bezig was aan zijn doctoraat, heeft hij een denkgroep met een aantal professoren opgestart. Hij werd door die psychologieprofessoren met open armen ontvangen tot hij steeds meer van Freud te weten kwam en daardoor ook steeds meer op de fouten in zijn theorie begon te wijzen. Daardoor viel hij in ongenade bij de professoren en moest hij buiten de universiteit werk zoeken. Hij werd journalist bij het BRT journaal. Daarna ging hij les geven aan de sociale hogeschool van Brussel. Hij besteedde veel aandacht aan het bijbrengen van kritisch denken bij zijn leerlingen. Hij overleed op 13 februari 2003, na het afwerken van zijn boek “Het Verdriet van Darwin”.
Inleiding: een korte historiek van het gebrek aan scepsis in de wetenschap
Mensen hebben er nood aan de wereld te begrijpen. Ze zijn geneigd vragen te stellen over alle aspecten van de werkelijkheid: wat is een ster, waaruit is materie opgebouwd, waar komen mensen vandaan? Het probleem is dat het begrijpen van de wereld moeilijk is. Het heeft mensen bijvoorbeeld buitengewoon veel moeite gekost om een antwoord te vinden op een schijnbaar eenvoudige vraag als: Hoe komt het dat een steen valt? Het menselijk brein is door de evolutie niet ontworpen als een kennis-, maar als een overlevingsinstrument. Het is van nature niet bijzonder goed in het begrijpen van de wereld. Ook ‘intelligente’ en ontwikkelde mensen kunnen vaak nog altijd geen antwoord geven op de meest elementaire vragen over de werkelijkheid. Uit een recent onderzoek (Plotkin, 1994, 102) blijkt bijvoorbeeld dat de overgrote meerderheid van mensen met een universitair diploma geen oplossing vindt voor het volgende probleem: Wij weten dat de aarde tijdens één etmaal (24 uur) rond haar as draait. Wij weten dat de omtrek van de aarde ter hoogte van de evenaar ongeveer 40.000 km is. Iemand die vlak op de evenaar staat legt dus op 24 uur 40.000 km af of bijna 463 meter per seconde. Als iemand die op de evenaar staat omhoog springt, zodat hij gedurende 1 seconde van de aarde loskomt, moet de aarde zich gedurende die ene seconde ongeveer 463 meter verplaatsen. Hoe komt het dan dat iemand die opspringt – of dat nu op de evenaar is of waar ook op aarde – altijd op dezelfde plaats terug neerkomt? Uit het onderzoek blijkt dat zelfs heel wat mensen die aan de universiteit natuurkunde hebben gestudeerd de vraag niet correct kunnen beantwoorden.Omdat echte kennis van de wereld buitengewoon moeilijk te verwerven valt, zijn mensen sterk geneigd vrede te nemen met schijnkennis. Ze verzinnen allerlei antwoorden die hen overtuigend of redelijk lijken.Zelfs als de vragen niet direct hun persoonlijk leven raken, zijn mensen geneigd de grenzen van hun kennis te overschrijden en te speculeren. De ‘kennis’ die een Aristoteles zijn lezers aanbiedt, bestaat vooral uit speculaties, veronderstellingen, meningen. De geschiedenis van het menselijk denken is grotendeels de geschiedenis van de strijd die we hebben moeten voeren om onze persoonlijke meningen, intuïties, vermoedens en veronderstellingen te onderscheiden van échte kennis. Met echte kennis bedoelen we nu het soort weten dat ontstaat door veronderstellingen stelselmatig te toetsen aan zintuiglijke observatie, aan de resultaten van experimenten en door hun logische coherentie zorgvuldig te controleren.Het opbouwen van echte kennis verloopt buitengewoon moeizaam. De meeste vragen zijn voor mensen onbeantwoordbaar. Dit betekent dat wij op de meeste vragen zouden moeten antwoorden met een nederig: dat weet ik niet. Maar het erkennen van diepe onwetendheid is voor mensen erg pijnlijk. En daarom hebben mensen altijd de neiging gehad met hun antwoorden ver vooruit te lopen op wat ze echt weten. Anaximander (610-547 v. Chr., behorend tot de Miletische school) wist niet echt wat de fundamentele structuur is van alle materie. Maar hij kon zich er niet van weerhouden op deze en vele andere vragen te antwoorden: volgens hem was de fundamentele substantie waaruit alles is opgebouwd lucht; vuur is een verdunde vorm van lucht; als lucht wordt samengeperst dan ontstaat water; door verdere samenpersing verandert water in aarde en aarde tenslotte in steen (RUSSELL, 1961, 47). In werkelijkheid waren dit gissingen. Anaximander had nooit proefondervindelijk aangetoond dat lucht door samenpersing in water kan worden veranderd.Als mensen geconfronteerd worden met vragen die een directe impact hebben op hun persoonlijk leven en welzijn is de verleiding om zich over te leveren aan speculatie en om gissingen voor echte kennis te houden bijna onweerstaanbaar.
De geschiedenis van de geneeskunde vormt hiervan een treffende illustratie. Bij vragen over gezondheid en ziekte, leven en dood voelen mensen een sterke persoonlijke betrokkenheid en lijkt onwetendheid bijna ondraaglijk. Wie ziek is en lijdt wil te allen prijze zijn gezondheid terug. De nood aan controle wordt zo groot dat mensen bereid zijn hun kritische zin bijna volledig opzij te schuiven. Er bestaan verschillende goede handboeken over de geschiedenis van de geneeskunde (zie bvb. Sherwin B. NULAND, The doctors. The Biography of Medicine; Roy PORTER, The Greatest Benefit to Mankind. A Medical History of Humanity from Antiquity to the Present; Henry E. SIGERIST, The Great Doctors. A Biographical History of Medicine from the Ancient World to the Twentieth Century). Het beeld dat deze handboeken ons bieden is altijd hetzelfde: medische kennis was bijna volledig pseudo-kennis; ze bestond uit een vreemde mengeling van gissingen, bijgeloof, magie, foutieve interpretaties van waarnemingen en vooral ondoeltreffende en gevaarlijke remedies.In de tweede helft van de 19de. eeuw begonnen Franse, Britse en Amerikaanse artsen voor het eerst onderzoeken te doen van het type dat wij nu “outcome”-studies zouden noemen. Ze begonnen het lot van patiënten die ze hadden behandeld te vergelijken met dat van controlegroepen bij dewelke ze de ziekte haar natuurlijk verloop hadden laten volgen. Keer op keer bleek dat onbehandelde patiënten het er veel beter afbrachten (PORTER, 1997, 313). Artsen werden voor het eerst geconfronteerd met de pijnlijke waarheid: in plaats van hun patiënten te helpen en te genezen hadden ze hen eeuwen lang alleen maar zieker gemaakt en vaak – en dan nog ten koste van veel pijn en ongemak – hun leven ingekort. De eeuwwende wordt door medische historici vaak aangeduid als de periode van het ‘medisch nihilisme’. Integere artsen kwamen tot de conclusie dat hun praxis waardeloos was en dat ze hun zieken het best konden helpen met enkele eenvoudige maatregelen zoals bedrust, wat lichte voeding en vooral troost en aanmoediging (THOMAS, 1992, 8-11).De idee dat echte kennis de toets van zorgvuldige empirische en logische verificatie moet kunnen doorstaan is het eerst tot ontwikkeling gekomen in de natuurkunde. Gewoonlijk wordt Galileo beschouwd als de grondlegger van de moderne natuurwetenschappen, omdat hij als eerste dit beginsel met grote hardnekkigheid heeft benadrukt en het ook in zijn eigen werk heeft geëerbiedigd. Aristoteles had beweerd dat de valsnelheid van een lichaam recht evenredig is met zijn massa. Dit leek Galileo onlogisch en hij probeerde het onlogisch karakter van Aristoteles’ veronderstelling aan te tonen met behulp van scherpzinnige gedachte-experimenten. Stel dat ik twee gelijke massa’s zou samenbinden met een fijn mensenhaar (dat voor alle praktische doeleinden massaloos is). Omdat ze samengebonden zijn vormen ze nu één massa. Volgens Aristoteles zou die ene massa nu dubbel zo snel moeten vallen als de twee afzonderlijke massa’s. Maar dit lijkt onredelijk: waarom zou de aanwezigheid van het haartje de twee massa’s dubbel zo snel doen vallen? Erger nog: stel dat ik een massa die 10 maal kleiner is met een haartje zou vastbinden aan een tien maal grotere massa. Omdat de kleine en de grote massa nu verbonden zijn vormen ze één massa en die moet sneller vallen dan de twee afzonderlijke massa’s. De 10 maal grotere massa zou dus sneller vallen nu hij door een haar verbonden is met een veel kleinere massa die op zichzelf veel trager zou vallen. Als het haar er niet was en de massa’s onverbonden waren zou de kleine massa 10 keer trager vallen dan de grotere. Maar eens de haar-verbinding er is valt de grote massa sneller dan wanneer hij niet met de kleine verbonden zou zijn. Maar dit is alsof men beweert dat een voorwerp dat veel sneller valt (de grote massa) a.h.w. voortgeduwd door één dat veel trager valt en dit lijkt absurd.

Maar Galileo begreep en aanvaardde dat dergelijke argumenten – gebaseerd op gedachte-experimenten – eigenlijk niet ter zake deden. Wat men moest doen was gewoon massa’s laten vallen en observeren wat er dan gebeurt. Galileo bouwde houten glijbanen die hij insmeerde met olie (om de wrijvingsweerstand weg te nemen) en liet dan zware en lichte knikkers naar beneden rollen. Aan het einde van de glijbaan bouwde hij een soort poortje en als er een knikker door het poortje schoot, deed dit automatisch een hamertje tegen een bel slaan. Galileo nam waar dat er geen verschillen waren in aankomsttijd tussen de knikkers: een knikker van 10 gram viel (rolde) net even snel als één van 100 gram. Dit was voor hem het enige beslissende argument: het waarneembare resultaat van een echt experiment.

In het begin van de 17de eeuw ontwikkelde zich ook de idee van een bewijsplicht (onus probandi), die één van de hoekstenen van de moderne wetenschap is geworden. De idee is simpel maar ze heeft vér-strekkende gevolgen: wie een bewering over de werkelijkheid doet, laadt daarmee automatisch een zekere last op zich. Hij heeft de plicht zijn bewering te rechtvaardigen bij middel van zintuiglijke evidentie, logische deductie, de waarneembare resultaten van repliceerbare experimenten. Hij geeft anderen het recht zijn beweringen kritisch te keuren. Wie dit principe niet eerbiedigt, is niet bezig met het zoeken naar echte kennis.

In disciplines zoals de psychiatrie en de psychologie wordt dit basisprincipe van de wetenschap nog vaak met de grootste nonchalance genegeerd.

Als men de geschiedenis van de psychiatrie onderwerpt aan de criteria van moderne wetenschapskritiek dan wordt men tot de conclusie gedwongen dat vrijwel heel de psychiatrische kennis tot halverwege de twintigste eeuw pseudo-kennis was: een bizarre verzameling van gissingen, wilde veronderstellingen en intuities (zie bvb. Michael H. STONE, Healing the Mind. A History of Psychiatry from Antiquity to the Present, 1998). Bovendien hebben psychiaters zelden geaarzeld om op basis van allerlei gissingen een hele praxis te bouwen. Psychiaters stonden volkomen machteloos en niet-begrijpend tegenover de grote ziekten van hun tijd: schizofrenie, depressie, bipolaire affectstoornissen, angststoornissen. En ze probeerden quasi in het blinde weg, op basis van allerlei bizarre rationalisaties, de meest bizarre therapieën uit: patiënten werden vastgebonden op een stoeltje dat met grote snelheid roteerde, ze werden in een comateuze toestand gebracht, er werd elektrische stroom door allerlei delen van hun lichaam gestuurd, één of andere endocriene klier werd chirurgisch verwijderd; soms werden stukken van de dunne darm weggesneden (zie bvb. VALENSTEIN, 1986, 24 e.v.). De lijst van therapieën vormt een verbazende griezelgalerij. En men krijgt de indruk dat heel wat van de therapieën een soort sadistisch tintje vertoonden – suggererend dat de psychiater zijn machteloosheid tegenover de ziekte vaak omzette in agressie tegenover de patiënt die koppig weigerde te genezen. Valenstein schrijft:

“Bizarre illnesses may require bizarre treatments, and in psychiatry they often get it. They show so often a stubbornness and resistiveness to treatment, they expose so clearly the ignorance of their pathology and aetiology, that they arouse aggressive reactions in the baffled and frustrated therapist.” (VALENSTEIN, 1986, 24).
Bizarre ziekten vereisen misschien bizarre behandelingen en krijgen dat ook dikwijls in de psychiatrie. Ze tonen zo dikwijls een koppigheid en weerstand tegenover een behandeling, ze vertonen zo duidelijk een onwetendheid van hun pathologie en etiologie dat ze agressieve reacties uitlokken bij de verbijsterde en gefrustreerde therapeut.

Intussen heeft een groot deel van de geneeskunde een empirische grondslag verworven en toont onderzoek aan dat vele remedies een reële therapeutische efficiëntie hebben.

In de psychiatrie – het meest ondankbare domein van de geneeskunde – is de vooruitgang er veel moeizamer gekomen. Het menselijk brein is veruit het meest ingewikkelde orgaan. Het is veel moeilijker een stoornis in de werking van dit orgaan te begrijpen en te behandelen dan een stoornis in bvb. de werking van het hart. En de geschiedenis herhaalt zich met een betreurenswaardige monotonie. In plaats van hun onwetendheid toe te geven hebben psychiaters allerlei wilde gissingen gelanceerd en op deze gissingen een praxis gebouwd. Sigmund Freud wordt nog altijd door velen beschouwd als de grootste psychiater van de 20ste. eeuw. Als men zijn oeuvre onderwerpt aan de toets van moderne wetenschapskritiek wordt duidelijk dat het werk van Freud helemaal geen wetenschap is. Onder wetenschapsfilosofen (Wittgenstein, Popper, Kuhn) bestaat daarover een consensus. Het is een verzameling van gissingen en beweringen die elke empirische steun ontberen (zie bvb. Frederick C. CREWS, 1998).

Toch hebben psychiaters en psychologen op deze gissingen een hele ‘psychotherapeutische’ praxis gebouwd. Keer op keer tonen “outcome”-studies aan dat deze praxis in het beste geval waardeloos is, maar in heel wat gevallen aan patiënten schade toebrengt (zie bvb. Richard WEBSTER, 1996).

Juist omdat vooral de theorieën van Freud de psychotherapeutische praxis in de 20ste. eeuw hebben gedomineerd en omdat deze theorieën nog steeds heel wat aanhangers hebben, lijkt het de hoogste tijd om ze aan de toets van een elementaire wetenschappelijke kritiek te onderwerpen. Dit werk poogt een kleine bijdrage te leveren tot deze toetsingstaak.

Eén van de theoretische concepten waarmee Freud heeft gewerkt en dat ook een centrale rol speelt in de psychoanalytische praxis is het concept van verdringing. Dit concept is inmiddels zozeer ingeburgerd geraakt in de psychologische literatuur, maar ook in andere menswetenschappen en in de wereld van de kunsten en de media dat het een vorm van majesteitsschennis lijkt de nuchtere vraag te stellen: bestaan er feiten die aantonen dat er zoiets als verdringing bestaat? Als een idee maar lang genoeg bestaat en ons maar voldoende vertrouwd wordt, gaan we ze als een evidentie behandelen; iets waarover geen vragen meer hoeven gesteld te worden. Dit is gedurende ongeveer 25 eeuwen de houding geweest van artsen ten aanzien van de humoren-theorie: de theorie die beweerde dat de oorzaak van alle ziekten moest worden gezocht in een onevenwicht der lichaamsvochten. Wie het in de 15de. eeuw zou gewaagd hebben sceptische vragen te stellen over deze theorie zou men met minachting het zwijgen hebben opgelegd, met het argument dat “de grote Hippocrates en de grote Galenus” de theorie hadden uitgedacht en dat intussen toch “algemeen geweten was” dat de theorie klopte; dat het toch niet mogelijk was dat verstandige mensen 25 eeuwen lang zouden geloofd hebben in iets dat onjuist was.
Maar dit zijn natuurlijk loutere gezagsargumenten die voor de moderne wetenschap geen gewicht in de schaal leggen. Een theorie is niet juist omdat ze is ontsproten aan het brein van iemand die beroemd is. Aristoteles is nog beroemder dan Freud. Maar toch is het niet waar dat de valsnelheid van een voorwerp evenredig is met zijn massa; dat het brein als functie heeft het bloed af te koelen; dat mannen meer tanden hebben dan vrouwen. Een theorie is niet waar omdat veel mensen – ook verstandige en ontwikkelde mensen – erin geloven. Vijf eeuwen geleden geloofden alle verstandige en ontwikkelde mensen dat de zon rond de aarde draait. In 1748 schreef David Hume in zijn “Inquiry concerning Human Understanding”: “There is no stronger indication for the falsity of an opinion as the fact that it is applauded by the multitude.” (HUME, 1777, 11)
Er is geen sterkere indicatie voor de valsheid van een opinie dan het feit dat het door de meerderheid geroemd wordt.

Het is verontrustend te moeten vaststellen hoeveel gewicht loutere gezagsargumenten in de psychologie nog altijd bezitten. “Bestaat er verdringing?” Het antwoord van psychologen is maar al te vaak een minachtend: “Natuurlijk, anders zou Freud dat toch niet beweerd hebben! Vanzelfsprekend, waarom zouden generaties van intelligente psychologen het anders geloofd hebben? Zeker, want talloze handboeken en cursussen in de psychologie zeggen ons dat verdringing bestaat!”

In deze verhandeling wordt onderzocht of er goede empirische gronden zijn om in het bestaan van verdringing te geloven. Tegelijk wordt er de aandacht op gevestigd dat het baseren van een psychotherapeutische praxis op empirisch geverifieerde begrippen zoals verdringing grote gevaren in zich houdt.

In deel 2 van deze reeks bespreken we:

  • Verdringing van seksuele trauma’s: de terugkeer van een oude Freudiaanse theorie
  • Het “False Memory”-debat
IJsland

Vorige week ben ik nog een belangrijk feit vergeten te bespreken. In IJsland zijn de gletsjers ook aan het smelten. Bepaalde gletsjers die een 20 tal jaar geleden tot aan de zee reikten, zitten nu tot een kilometer in het binnenland. De Vatnajokul, dat de grootste gletsjer ter wereld is buiten de poolgebieden, heeft gletsjertongen die zich elk jaar meer dan 20 meter terugtrekken. Twee jaar geleden heb ik in Zwitserland hetzelfde gezien. Aan de voet van de berg waarop de Rohnegletjer ligt, staat er een restaurant dat heet: Gletcherfuss. De gletcher begint ongeveer 400 meter hoger. Op de plaats waar hij nu begint staat er een staat er een hotel waar oude foto’s aan de muur hangen. Het is schokkend om te hoe hoog het ijs opreist achter de auto’s uit de jaren 50. Op de plaats waar die foto getrokken werd zijn nu alleen nog kale rotsen te zien. Klimaatsceptici beweren dat die fenomenen zich alleen in het noordelijk halfrond voordoen. De term sceptici verdienen deze mensen niet. In 2007 zat ik in Patagonië in chili en heb daar de Grey gletsjer bezocht. Dat is een tong van de Glaciar grande del sur, de grootste gletcher van het zuidelijk halfrond buiten de zuidpool. Die trekt zich elk jaar met 50 meter terug. Het is indrukwekkend om een andere tong van deze gletsjer te zien die 20 jaar geleden in de zee uitkwam terwijl daar nu vooral een grote kale rots te zien is. Dit zijn geen bewijzen dat de klimaatproblemen een feit zijn, maar ze zijn er wel mee consistent. De problematiek van de opwarming van de aarde is een zeer complexe materie, die ik ook niet helemaal begrijp. Toch denk ik dat er genoeg argumenten zijn om aan te nemen dat ze een feit is. Ik zal nog een aflevering uitweiden aan hoe je moet omgaan met materie die je niet helemaal begrijpt en ook één over klimaatopwarming.

Het Citaat
Het citaat van vandaag komt van Dara O’Briain. O’Brian is een Ierse televisiepresentator en stand-up comedian. Hij studeerde natuurkunde, maar begon zijn carrière onmiddellijk op de televisie. Hij begon met een kinderprogramma, maar ondertussen is hij heel populair in Groot Britanië als stand up comedian. Dara O’Briain zei:

“Natuurlijk weten wetenschappers dat de wetenschap niet alles weet. Anders zouden ze er mee ophouden!”

Tot de volgende keer.

1 reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *