Een universum uit het niets

Play

Laurence Krauss, één van die grote astrofysici, scheef onlangs het boek: “A universe from nothing” waarin hij uiteenzet hoe onze huidige kennis van de fysica het mogelijk maakt dat universa zomaar spontaan uit het niets ontstaan. Richard Dawkins schreef het nawoord in dat boek.

Transcript
Goeiedag, het is vandaag zondag 20 mei 2012, ik ben Jozef Van Giel en dit is de 125ste aflevering van deze podcast. Deze aflevering kwam tot stand mede dankzij Rik Delaet. De muziek is van Niek Lucassen.

Eindelijk zijn de uitslagen van De European Podcast Awards van 2011 bekend! Met de podcast Kritisch Denken waren we genomineerd voor Nederland in de categorie “Personality”. De winnaar van die categorie is de podcast “Hoor! Geschiedenis” van Feico Howeling. Terecht. Het is een prachtige podcast over de geschiedenis van de lage landen waar ik al naar luister sinds hij ermee begon. Op mijn website vind je een link. En de tweede plaats was voor… Kritisch Denken! Van harte bedankt aan iedereen die stemde. De selectie gebeurde door een combinatie van het aantal stemmen en een keuze door een vakjury. En “Kritisch Denken” had het hoogste aantal stemmen! Hoe de vakjury tewerk ging is niet helemaal duidelijk. Je kan de bekendmaking op YouTube volgen. Een link vind je op mijn website. Deze categorie passeert rond de 6de minuut.

Laurence Krauss, één van die grote astrofysici, scheef onlangs het boek: “A universe from nothing” waarin hij uiteenzet hoe onze huidige kennis van de fysica het mogelijk maakt dat universa zomaar spontaan uit het niets ontstaan. Richard Dawkins schreef het nawoord in dat boek. Rik heeft het voor ons vertaald. Hier komt het.
http://nl.wikipedia.org/wiki/A_Universe_from_Nothing
http://richarddawkins.net/articles/644721-a-universe-from-nothing-review

Het is vertaald door Rik Delaet.

1. Een universum uit het niets

Nawoord door Richard Dawkins
http://c3012152.r52.cf0.rackcdn.com/111230Dawkins%20afterword.pdf
Vertaald door Rik Delaet

Niets verruimt de geest zozeer als het uitdijende heelal. De muziek der sferen is een kinderliedje, een deuntje vergeleken met de majestueuze akkoorden van de Symphonia Galactica. In een andere metafoor en dimensie wordt het stof van eeuwen, de nevelen van wat we de “oude” geschiedenis durfden noemen snel weggeblazen door de gestage, eroderende winden van geologische tijdperken. Ook de leeftijd van het universum van 13,72 miljard jaar, nauwkeurig – zoals Lawrence Krauss ons verzekert – tot op het vierde beduidende cijfer, verdwijnt in het niets vergeleken met de miljarden jaren die nog moeten komen.
Maar Krauss’ visie op de kosmologie van de verre toekomst is paradoxaal en beangstigend. Wetenschappelijke vooruitgang zal waarschijnlijk ooit in achteruitgang omslaan. We gaan ervan uit dat, als er kosmologen zullen leven in het jaar 2 biljoen AD, hun visie op het universum de onze zal overtreffen. Niet dus en dat is een van de vele vernietigende conclusies die me bijblijft na het sluiten van dit boek. De huidige paar miljard jaar zijn een zeer gunstige tijd om kosmoloog te zijn.  Twee biljoen jaar na vandaag, zal het universum zo ver zijn uitgedijd dat alle melkwegstelsels, behalve dat van de kosmoloog zelf (welk dat ook mag zijn) zich achter een Einsteinhorizon zullen hebben teruggetrokken. Zo absoluut, zo definitief dat ze niet alleen onzichtbaar zullen zijn, maar geen mogelijkheid meer zullen hebben om enig spoor, hoe indirect ook, na te laten. Ze kunnen net zo goed nooit hebben bestaan. Elk spoor van de Big Bang zal waarschijnlijk zijn verdwenen, voor altijd en onherstelbaar. De kosmologen van de toekomst zullen afgesneden worden van hun verleden en van hun situering. Voor ons is dat nu niet het geval. We weten dat we ons te midden van 100 miljard sterrenstelsels bevinden en we hebben kennis over de Big Bang omdat het bewijsmateriaal overal om ons heen is te vinden: de roodverschoven straling van verre sterrenstelsels vertelt ons over de Hubble-expansie en we extrapoleren deze terug. We zijn bevoorrecht dat we de bewijzen kunnen zien, want we kijken naar een jong universum, zich koesterend in het dageraadstijdperk waarin het licht nog steeds van sterrenstelsel naar sterrenstelsel kan reizen. Zoals Krauss en een collega het geestig verwoordden: “We leven in een heel speciale tijd… de enige tijd waarop we door waarneming kunnen verifiëren dat we in een zeer speciale tijd leven.” De kosmologen van die tijd zullen niet verder komen dan de onvolgroeide visie van het begin van onze twintigste eeuw, opgesloten in een sterrenstelsel waarvan we toen dachten dat het synoniem was met het hele universum. Tenslotte zal het platte universum onvermijdelijk verder afvlakken tot een niets dat het begin ervan weerspiegelt. Niet alleen zullen er geen kosmologen meer zijn om uit te kijken over het universum, er zal niets voor hen te zien zijn als ze er al zouden zijn. Helemaal niets. Niet eens atomen. Het Niets.

Mocht je dat verlaten en desolaat vinden, pech! De werkelijkheid is ons geen troost verschuldigd. Toen Margaret Fuller, met volgens mij een zucht van voldoening, opmerkte “Ik aanvaard het heelal”, was Thomas Carlyle’s antwoord vernietigend: “Pff, welke andere keuze zou ze hebben!” Persoonlijk vind ik dat de eeuwige rust van een oneindig plat niets een grandeur heeft die, op zijn zachtst gezegd, de moeite waard is om ze moedig onder ogen te zien. Maar als iets tot niets kan uitvlakken, kan het niets dan niet in actie komen en iets laten ontstaan? Of waarom, om een afgezaagd theologisch dictum te citeren, is er iets in plaats van niets? Hier komen we bij misschien wel de meest opmerkelijke les die we onthouden bij het dichtslaan van het boek van Lawrence Krauss. De natuurkunde vertelt ons niet alleen hoe iets zou kunnen ontstaan uit het niets, ze gaat verder. Krauss toont ons aan dat het niets onstabiel is: iets moet er bijna zeker uit te voorschijn komen. Als ik Krauss goed begrijp, gebeurt dat de hele tijd: het principe klinkt als een soort natuurkundige versie van twee fouten maken één recht. Deeltjes en antideeltjes flitsen vanuit het niets in en uit het bestaan, net subatomaire vuurvliegjes, vernietigen elkaar en creëren elkaar dan opnieuw in een omgekeerd proces.
Het spontane ontstaan van iets uit niets gebeurde op enorme schaal bij het begin van ruimte en tijd in de singulariteit bekend als de Big Bang. Dit werd gevolgd door de inflatoire periode, toen het universum en alles erin in een fractie van een seconde met achtentwintig ordes van grootte (dat is een 1 met achtentwintig nullen – denk daar even over na) groter werd. Wat een bizar, belachelijk idee! Waar halen ze het, die wetenschappers! Ze zijn net zo erg als de middeleeuwse scholastici die zich onledig hielden met het tellen van het aantal engelen op een speldenknop of die debatteerden over het “mysterie” van de transsubstantiatie. Nee, niet zo, maar wel dubbeldik erop. Er is veel dat de wetenschap nog niet weet (en waaraan ze werkt met opgerolde mouwen). Maar veel van wat we weten, weten we niet alleen maar bij benadering (het heelal is niet slechts duizenden, maar miljoenen jaren oud): we weten dat met vertrouwen en met een verbazende nauwkeurigheid. Ik heb al gezegd dat we de leeftijd van het heelal hebben gemeten met een nauwkeurigheid van vier significante cijfers. Dat is al indrukwekkend, maar het is niets vergeleken met de nauwkeurigheid van enkele van de voorspellingen waarmee Lawrence Krauss en zijn collega’s ons kunnen verbazen. Richard Feynman, een van Krauss’ helden, wees erop dat sommige voorspellingen van de kwantumtheorie – weer gebaseerd op aannames die meer bizar lijken dan wat dan ook bedacht werd door zelfs de meest obscurantistische theologen – met zo’n precisie geverifieerd zijn dat ze te vergelijken zijn met het weergeven van de afstand tussen New York en Los Angeles met een nauwkeurigheid van één haarbreedte. Theologen mogen dan speculeren over engelen op speldenknoppen of wat het huidige equivalent ook mag zijn. Natuurkundigen lijken misschien hun eigen engelen en hun eigen speldenknoppen te hebben: kwanta en quarks, “tover”, “vreemdheid” en “spin”. Maar natuurkundigen kunnen hun engelen echt tellen en ze kunnen het zo goed dat het klopt tot op één engel op de 10 miljard: geen engel meer, geen engel minder. Wetenschap mag dan vreemd en onbegrijpelijk zijn – vreemder en onbegrijpelijker dan enige theologie – maar wetenschap werkt. Ze komt met resultaten. Ze kan je naar Saturnus brengen en je onderweg rondom Venus en Jupiter slingeren. Misschien kunnen we de kwantumtheorie niet begrijpen (de hemel weet dat ik het niet kan), maar een theorie die de echte wereld voorspelt tot op tien cijfers na de komma kan op geen enkele directe manier ernaast zitten. Theologie mist niet alleen cijfers na de komma: het ontbreekt haar zelfs aan een zuchtje verbinding met de echte wereld. Zoals Thomas Jefferson zei bij de oprichting van zijn Universiteit van Virginia, “Voor een hoogleraarschap in de theologie zou er aan onze instelling geen plaats mogen zijn.” Als je gelovige mensen vraagt waarom ze geloven, vind je wel een paar “gesofistikeerde” theologen die over God spreken als de “Grond van al het Zijnde,” of als “een metafoor voor interpersoonlijke gemeenschap” of iets dergelijks ontwijkends. Maar de meerderheid van de gelovigen hangen, eerlijker en kwetsbaarder, een versie van het argument van ontwerp of het argument van eerste oorzaak aan. Filosofen van het kaliber van David Hume hoefden niet eens uit hun luie stoel te komen om de fatale zwakte van dat soort argumenten aan te tonen: ze smeken om de vraag naar de oorsprong van de Schepper. Maar het duurde tot Charles Darwin die in de echte wereld op de HMS Beagle het briljant eenvoudige en niet-om-de-vraag-smekend alternatief voor ontwerp ontdekte. Op het gebied van de biologie dan toch. Biologie was altijd het favoriete jachtgebied voor de natuurtheologen totdat Darwin – niet met opzet want je vond geen vriendelijker en zachtmoediger man – hen ervan wegjoeg. Ze vluchtten naar de ijlere velden van de fysica en de oorsprong van het universum, alleen om daar Lawrence Krauss en zijn voorgangers tegen te komen. Lijken de wetten en constanten van de fysica op een fijn afgesteld maatwerk bedoeld om ons tot leven te roepen? Denk je dat een bewust agens alles in gang moet hebben gezet? Lees Victor Stenger als je niet doorhebt wat er mis is met dergelijke argumenten. Lees Steven Weinberg, Peter Atkins, Martin Rees, Stephen Hawking. En nu kunnen we Lawrence Krauss lezen voor wat voor mij de genadeslag lijkt te zijn. Zelfs de laatste troef van de theoloog, “Waarom is er iets in plaats van niets?” verschrompelt voor je ogen als je deze pagina’s leest. Als ‘On the Origin of Species’ de doodsklap van de biologie was voor het bovennatuurlijke, dan kunnen we ‘Een Universum uit Niets’ zien als het equivalent ervan voor de kosmologie. De titel betekent precies wat hij zegt. En wat hij zegt is vernietigend.

Als toemaatje de grote geschiedenis van alles door Davd Christian.

2. David Christian: Grote geschiedenis

Hoe kan complexiteit ontstaan in een universum gedomineerd door de tweede wet van de thermodynamica

Als je een videofilm van een roerei ziet, waarbij het ei “ontroerd” wordt, waarbij de dooier en het wit gescheiden worden, weten we dat er iets fout is. We weten allemaal in ons diepste zelf dat dit niet de manier is waarop het universum werkt. Een roerei is brij, smakelijke brij, maar het blijft brij. Een ei is een mooi, gesofisticeerd ding dat kan leiden tot nog meer verfijnde dingen, zoals kippen. We weten in ons diepste zelf dat het universum nooit van brij naar de complexiteit gaat. In feite komt dit buikgevoel tot uiting in een van de meest fundamentele wetten van de fysica, de tweede wet van de thermodynamica, of de wet van de entropie. Die zegt eigenlijk dat het de algemene tendens van het heelal is om te gaan van orde en structuur naar wanorde, gebrek aan structuur – in feite naar brij. Dat is waarom die video een beetje vreemd aanvoelt.

En toch, kijk eens om je heen. We zien om ons heen onthutsende complexiteit. Eric Beinhocker schat dat in New York City alleen zo’n 10 miljard verschillende producten worden verhandeld. Dat is honderden keren zo veel als er soorten op Aarde zijn. Ze worden verhandeld door een soort met bijna zeven miljard individuen. Die zijn met elkaar verbonden door handel, reizen en het internet in een wereldwijd systeem van een verbazingwekkende complexiteit.

Dat is een groot raadsel: hoe kan in een universum, geregeerd door de tweede wet van de thermodynamica, de soort van complexiteit die ik zojuist heb beschreven, ontstaan – de soort van complexiteit zoals die van jou en mij en het congrescentrum? Het antwoord lijkt te zijn dat het universum complexiteit kan creëren, maar tegen een prijs. Op bepaalde plaatsen verschijnen wat mijn collega, Fred Spier, “Goudlokjesvoorwaarden” noemt – niet te heet, niet te koud, precies goed voor de creatie van complexiteit. Waar iets complexere dingen verschijnen. En waar je iets complexere zaken hebt, kan je nog iets complexere zaken krijgen. Op deze manier wordt complexiteit stap voor stap opgebouwd. Elke fase lijkt magisch omdat ze de indruk wekt dat iets volstrekt nieuws bijna uit het niets verschijnt in het universum. Wij noemen deze momenten in de grote geschiedenis drempelmomenten. Bij elke drempel wordt het moeilijker. De ingewikkelde dingen worden fragieler, kwetsbaarder, de Goudlokjesvoorwaarden worden strenger. Het wordt moeilijker om complexiteit te creëren.

Nu hebben wij als zeer complexe wezens dringend behoefte om te weten hoe het heelal complexiteit creëert, ondanks de tweede wet. En waarom complexiteit te maken heeft met kwetsbaarheid en fragiliteit. Dat verhaal vertellen we in de grote geschiedenis. Maar om dat te doen, moet je iets doen dat op het eerste gezicht volstrekt onmogelijk lijkt. Je moet de hele geschiedenis van het heelal overlopen… Laten we dat even doen. Laten we eerst de tijdsbalk zo’n 13,7 miljard jaar terugdraaien naar het begin van de tijd.

Om ons heen is er niets. Er is zelfs geen tijd of ruimte. Stel je het donkerste, leegste ding voor dat je kan en maak dat op een onvoorstelbare manier donkerder en leger. Daar zijn we nu. Dan opeens, Bang! verschijnt er een heelal, een volledig heelal. We zijn over onze eerste drempel gestapt. Dat universum is klein, kleiner dan een atoom. Het is ongelooflijk heet. Het bevat alles wat je in het universum van vandaag terugvindt. Je kunt je voorstellen dat het uit zijn voegen barst en zich met een ongelooflijke snelheid uitbreidt. In het begin is het vaag, maar al snel gaan verschillende dingen beginnen te verschijnen in die vaagheid. Binnen de eerste seconde valt de energie zelf uit elkaar in afzonderlijke krachten, waaronder elektromagnetisme en zwaartekracht. Energie doet nog iets heel magisch: ze ‘stolt’ tot materie – quarks die protonen gaan vormen en leptonen waaronder elektronen. Dat allemaal in de eerste seconde.

Nu gaan we 380.000 jaar vooruit. Dat is twee keer zo lang als er mensen zijn op deze planeet. Nu verschijnen eenvoudige atomen. Waterstof en helium. Hier wil ik even pauzeren, op 380.000 jaar na het ontstaan van het heelal, omdat we eigenlijk heel veel weten over het universum in dit stadium. We weten vooral dat het zeer eenvoudig was. Het bestond uit enorme wolken van waterstof- en heliumatomen, zonder verdere structuur. Ze zijn echt een soort van kosmische brij. Maar dat is niet helemaal waar. Recente studies door satellieten zoals de WMAP-satelliet hebben aangetoond dat er kleine verschillen in die achtergrond aanwezig waren. De blauwe gebieden zijn ongeveer een duizendste van een graad koeler dan de rode gebieden. Slechts kleine verschillen, maar genoeg voor het heelal om verder te gaan naar de volgende fase van de complexiteitsopbouw.

Dat ging zo. Zwaartekracht is sterker waar er meer materiaal zit. Dus in de iets dichtere gebieden, gaat zwaartekracht de wolken van waterstof- en heliumatomen verdichten. Zo kunnen we ons voorstellen dat het vroege heelal uiteenvalt in miljarden wolken. Iedere wolk trekt samen, de zwaartekracht wordt krachtiger naarmate de dichtheid toeneemt, de temperatuur begint te stijgen in het midden van elke wolk. Als in het midden van een dergelijke wolk de temperatuur de drempeltemperatuur van 10 miljoen graden bereikt, beginnen protonen te fuseren, een grote hoop energie wordt vrijgemaakt, en Bang! Daar zijn onze eerste sterren. Ongeveer 200 miljoen jaar na de Big Bang, beginnen miljarden en miljarden sterren overal in het heelal te verschijnen. Het universum is nu beduidend interessanter en complexer geworden.

Sterren creëren nu de Goudlokjesvoorwaarden voor het oversteken van twee nieuwe drempels. Wanneer zeer grote sterren sterven, creëren ze temperaturen die zo hoog zijn dat protonen in allerlei exotische combinaties beginnen te fuseren. Zo maken ze alle elementen van het periodiek systeem. Als je, zoals ik, een gouden ring draagt, dan is dat goud in een supernova-explosie ontstaan. Het universum is nu chemisch ingewikkelder geworden. In een chemisch complexer universum, is het mogelijk om meer dingen te laten ontstaan. Nu gaan rond die jonge zonnen, jonge sterren, al deze elementen combineren, ze zwieren rond, de energie van de ster laat ze ronddraaien, ze vormen deeltjes, sneeuwvlokken, stofpluisjes, maar ook rotsen, asteroïden, en uiteindelijk vormen ze planeten en manen. Zo is vier en een half miljard jaar geleden ons zonnestelsel gevormd. Rotsachtige planeten zoals onze Aarde zijn aanzienlijk complexer dan de sterren omdat ze een veel grotere diversiteit van materialen bevatten. Dus hebben we een vierde drempel van complexiteit overschreden.

Nu wordt het echt moeilijker. De volgende fase introduceert entiteiten die aanzienlijk fragieler, aanzienlijk kwetsbaarder zijn. Maar ze zijn ook veel creatiever en veel meer in staat om nog meer complexiteit te genereren. Ik heb het natuurlijk over levende organismen. Levende organismen zijn ‘chemische producten’. We zijn enorme verpakkingen chemicaliën. Chemie wordt gedomineerd door de elektromagnetische kracht. Die werkt op kleinere schalen dan de zwaartekracht, hetgeen verklaart waarom jij en ik kleiner zijn dan sterren of planeten. Wat zijn nu de ideale omstandigheden voor chemie? Wat zijn de Goudlokjesvoorwaarden? De eerste is energie, maar niet te veel. In het centrum van een ster is er zoveel energie dat alle atomen die samenkomen, gewoon weer uit elkaar botsen. Maar ook niet te weinig. In de intergalactische ruimte is er zo weinig energie dat atomen niet kunnen combineren. Wat je wilt is precies de juiste hoeveelheid, en planeten, zo blijkt, zijn daarvoor precies geschikt, omdat je ze dichtbij sterren, maar ook weer niet te dichtbij, vindt.

Je moet ook een grote verscheidenheid aan chemische elementen hebben, alsook een vloeistof, zoals water. Waarom? Welnu, in gassen bewegen atomen zo snel langs elkaar dat ze niet kunnen aankoppelen. In vaste stoffen zitten atomen zo vast aan elkaar, dat ze niet kunnen bewegen. In vloeistoffen kunnen ze rondzwerven en knuffelen en combineren om moleculen te vormen. Waar vind je nu zulke Goudlokjesvoorwaarden? Planeten zijn daar ideaal voor, en onze jonge aarde was bijna perfect. Ze bevond zich gewoon op de juiste afstand tot haar ster om enorme oceanen van open water te bevatten. Diep onder de oceanen bij scheuren in de aardkorst, heb je warmte, die uit het binnenste van de Aarde wegsijpelt, en ook een grote diversiteit aan elementen. Bij die diepe oceanische openingen begon fantastische chemie te gebeuren. Atomen combineerden tot allerlei exotische combinaties.

Maar natuurlijk is het leven meer dan alleen maar exotische chemie. Hoe stabiliseer je die grote moleculen die levensvatbaar lijken te worden? Hier introduceert het leven een geheel nieuwe truc. Je hoeft het individu niet te stabiliseren; je stabiliseert de sjabloon, het ding dat de informatie draagt, en je laat de sjabloon toe zichzelf te kopiëren. DNA, natuurlijk, is dat prachtige molecuul dat die informatie bevat. Je bent vertrouwd met de dubbele helix van het DNA. Elke trede bevat informatie. Dus DNA bevat informatie over hoe levende organismen te maken. DNA kan ook kopieën van zichzelf maken. Het kopieert zichzelf en verspreidt de sjablonen via de oceaan. Zodat de informatie zich verspreidt. Merk op dat informatie onderdeel van ons verhaal is geworden. De echte schoonheid van het DNA zit echter in haar onvolkomenheden. Terwijl het zichzelf kopieert, wordt er eens per miljard sporten, een fout gemaakt. Dat betekent dat DNA in feite ‘leert’. Het accumuleert nieuwe manieren om levende organismen te maken omdat sommige van die fouten werken. Dus leert het DNA en creëert grotere diversiteit en complexiteit. Dat is zo in de afgelopen vier miljard jaar aan de gang geweest.

Gedurende de het grootste deel van het leven op Aarde, waren levende organismen relatief eenvoudig – ééncelligen. Maar ze hadden een grote diversiteit, en, binnenin, grote complexiteit. Vervolgens zijn dan 600 tot 800 miljoen jaar geleden meercellige organismen op het toneel verschenen. Er komen schimmels, vissen, planten, amfibieën, reptielen, en dan, natuurlijk, ook dinosaurussen. Af en toe zijn er rampen. 65 miljoen jaar geleden stortte een asteroïde neer op de aarde in de buurt van het schiereiland Yucatan. De gevolgen waren gelijkwaardig aan die van een nucleaire oorlog en de dinosaurussen werden uitgeroeid. Verschrikkelijk nieuws voor de dinosauriërs. Maar geweldig nieuws voor onze zoogdierachtige voorouders, die de door de dinosauriërs verlaten ecologische nissen gingen bezetten. Wij mensen maken deel uit van die creatieve evolutionaire impuls die 65 miljoen jaar geleden begon met de impact van een asteroïde.

Mensen verschijnen ongeveer 200.000 jaar geleden. Ik denk dat we ook mogen gezien worden als een drempel in dit fantastische verhaal. Laat me uitleggen waarom. We hebben gezien dat DNA kan leren, informatie in zich opslaan. Maar dat gaat zo traag. DNA accumuleert informatie door middel van toevallige fouten, waarvan sommige toevallig werken. Maar DNA heeft een snellere manier van leren gegenereerd. Het produceerde organismen met hersens, en deze organismen kunnen in real time leren. Ze accumuleren informatie, ze leren. Het trieste is dat wanneer zij sterven, die informatie met hen sterft. Wat de mens anders maakt is de menselijke taal. Wij zijn gezegend met een taal. Een machtig en nauwkeurig systeem van communicatie. Wat we geleerd hebben kunnen we zo precies meedelen dat het opgeslagen wordt in het collectieve geheugen. Dat betekent dat die informatie de mensen die ze hebben gevonden, kan overleven. Ze kan generatie na generatie worden opgehoopt. Dat is waarom wij als soort zo creatief en zo machtig zijn. Daarom hebben we een geschiedenis. We lijken de enige soort in die vier miljard jaar met deze gave.

Ik noem dit vermogen collectief leren. Het is dat wat ons anders maakt. We zien het aan het werk in de vroegste stadia van de menselijke geschiedenis. We zijn als soort geëvolueerd op de savannes van Afrika, maar dan zie je mensen migreren naar nieuwe omgevingen – naar woestijnland, naar jungles, in de ijstijd naar de toendra’s van Siberië – harde, moeilijke omgeving – naar Amerika, Australië. Elke migratie hield leren in – het leren van nieuwe manieren voor de exploitatie van het milieu, nieuwe manieren van omgaan met hun omgeving.

10.000 jaar geleden maakte de mens gebruik van een plotselinge verandering in het wereldklimaat op het einde van de laatste ijstijd, om te leren boeren. Landbouw bracht energie in overvloed. Door de exploitatie van die energie gingen menselijke populaties zich vermenigvuldigen. Menselijke samenlevingen werden groter, dichter, meer met elkaar verbonden. Ongeveer 500 jaar geleden begonnen mensen wereldwijd contacten te leggen door middel van scheepvaart, treinen, telegraaf, internet, totdat we nu een wereldwijd brein van bijna zeven miljard individuen lijken te vormen. Hersenen leren nu met lichtsnelheid. In de laatste 200 jaar is er nog iets anders gebeurd. We vonden een andere overvloed aan energie: de fossiele brandstoffen. Fossiele brandstoffen en collectief leren verklaren de duizelingwekkende complexiteit, die we om ons heen zien.

Ja, hier zijn we nu terug. We hebben een reis, een retourreis, van 13,7 miljard jaar gemaakt. Ik hoop dat u het ermee eens bent dat dit een machtig verhaal is. Het is een verhaal waarin de mens een verrassende en creatieve rol speelt. Maar het houdt ook waarschuwingen in. Collectief leren is een krachtig iets, en het is niet duidelijk of wij mensen het in de hand hebben. Ik herinner me heel levendig hoe ik in Engeland als kind de Cubaanse rakettencrisis heb ervaren. Een paar dagen lang leek het alsof de gehele biosfeer op de rand van de vernietiging stond. Die wapens zijn er nog steeds en staan nog steeds op scherp. Als we die val kunnen vermijden, dan staan er ons nog anderen te wachten. We verbranden fossiele brandstoffen aan een zodanig tempo dat we de Goudlokjesvoorwaarden lijken aan te tasten. Die voorwaarden maakten het mogelijk dat in de afgelopen 10.000 jaar menselijke beschavingen konden bloeien. De grote geschiedenis kan ons de aard van deze complexiteit en kwetsbaarheid en de gevaren waar we voor staan, laten inzien. Maar ze kan ons ook bewust maken van onze macht tot collectief leren.

Uiteindelijk is dit wat ik wil. Ik wil dat onze kleinkinderen, hun vrienden en hun generatie, over de hele wereld, het verhaal van de grote geschiedenis leren kennen. En het zo goed leren kennen dat ze zowel de uitdagingen waarmee wij geconfronteerd worden als mogelijkheden die we hebben, gaan begrijpen. Dat is waarom een groep van ons bezig is een gratis onlinesyllabus op te stellen voor middelbare scholieren over de hele wereld van de grote geschiedenis. Wij geloven dat die grote geschiedenis voor Daniël en zijn generatie een vitaal intellectueel instrument zal zijn, als ze oog in oog komen te staan met de enorme uitdagingen en ook de enorme mogelijkheden op dit drempelmoment in de geschiedenis van onze prachtige planeet.

3. Het citaat

Het citaat van vandaag komt van Theodosius Dobzhansky.

Dobzansky was een Oekrainse geneticus en evolutionaire bioloog die later naar Amerika verhuisde en er nationaliseerde. Hij voerde belangrijk werk uit op het gebied van de genetische basis van de evolutie.
Dobzhansky zei:

In de biologie is niets betekenisvol, behalve in het licht van evolutie

Tot de volgende keer.

Wees de eerste om te reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *