De Evolutietheorie (3)

Play

Goeiedag,
het is vandaag zondag 24 januari 2010, ik ben Jozef Van Giel en dit is de 45ste aflevering van deze podcast.
Deze aflevering kwam tot stand mede dankzij Rik Delaet.

In aflevering 25 heb ik uitgelegd hoe de evolutietheorie werkt en in aflevering 33 ben ik wat dieper ingegaan op een aantal interessante feiten rond de evolutietheorie. Vandaag zal ik spreken over een aantal bewijzen voor de evolutietheorie. Opnieuw zal ik me noodzakelijkerwijs moeten beperken tot enkele. Ik zal het hebben over enkele die ik markant vindt en waarvan ik denk dat vele mensen ze nog niet kennen. Maar het spreekt vanzelf van het onmogelijk is om alle mogelijke bewijslijnen te bespreken. Het tempo waarmee nieuwe bewijzen gevonden worden is groter dan de snelheid waarmee ik ze tijdens een podcast zou kunnen bespreken, zelfs al ben ik heel bondig en ga ik er 24 uur op 24 mee door.
Ik ben er mij van bewust dat mijn luisteraars overtuigd zijn dat de evolutietheorie een feit is, maar ik denk dat deze aflevering zeker interessant is om materiaal te verzamelen om beter te kunnen reageren als je in een discussie verzeild geraakt.

1. Evolutietheorie

Wie nog niet genoeg heeft van dit onderwerp, raad ik aan om even naar een aantal websites te gaan waarvan ik de link ter beschikking zal stellen op de webpagina van deze aflevering. Materiaal uit deze podcast komt onder andere uit die websites.
DaaromEvolutie
http://www.evolutietheorie.be/
http://www.evolutie-creationisme.be/
Wie er nog niet genoeg van heeft, moet zeker Darwins “Over de oorsprong der soorten” lezen, en de vele boeken van Richard Dawkins waaronder zijn laatste: “De grootste show op aarde”. En voor kinderen is er ook nog het prachtige boekje “Kaas en de evolutietheorie”.

1.1. Het fossielenarchief en de zogenaamde “missing” links

Een heel belangrijke en klassieke bewijslijn voor de evolutietheorie is het fossielenarchief. In feite zijn in de 19de eeuw verschillende wetenschappers gaan zoeken naar uitleg voor het onverklaarde feit dat, als gevolg van de groeiende mijnindustrie, men altijd maar meer en meer fossielen begon te vinden van de meest bizarre beesten die totaal verschillend waren van de huidige dier- en plantensoorten. Het was dus wel noodzakelijk dat er plots een doorbraak moest komen met een sluitende theorie die een consistente uitleg kon geven hiervoor. Toevallig was het Darwin die de eerste was om hiermee naar voor te komen, maar hij was niet de enige. In feite was Russel Wallace ongeveer tegelijkertijd en onafhankelijk van hem een gelijkaardige theorie aan het uitwerken. Dat was ook wat Darwin ertoe aanzette om zijn theorie toch te publiceren.
Darwin weidt in “Over de oorsprong der soorten” dan ook uitgebreid uit over het fossielenarchief, en bespreekt de theorie van fossilisering. In dat kader legt hij dan ook uit waarom er, hoe dan ook, altijd gaten zullen blijven in het fossielenarchief. Fossilisering is eigenlijk meer uitzondering dan regel. Het allergrootste deel van resten van leven verdwijnen volledig na de dood. Zelfs de harde delen zoals schelpen en geraamten. Voor een goede fossilisering moet het materiaal snel bedekt worden door neutraal sediment en zo. In oerwouden is fossilisering bijna onmogelijk door het agressief, snel afbrekend milieu (humuszuren!), zodat fossielen van woudbewoners dan ook vrij zeldzaam zijn.
Maar als creationisten beweren dat er geen tussenvormen zijn dan bedoelen ze dat niet. Eigenlijk bedoelen ze dikwijls dat er geen dieren bestaan die ergens tussen twee soorten in zitten, maar dan met bepaalde delen onvolledig ontwikkeld, zoals bijvoorbeeld een half oog. Veelbetekenend is de illustratie die ze daarbij gebruiken van de kroko-eend. Een afbeelding van een beest met een eendenlijf en een krokodillenkop. Met dit beeld tonen ze eigenlijk vooral aan hoe onwetend ze zijn. Geen enkele wetenschapper heeft ooit beweerd dat dergelijke beesten ooit zouden moeten bestaan hebben. Eenden en krokodillen hebben wel een gemeenschappelijke voorouder en die verschilde evenveel van een eend als van een krokodil. Elke generatie heeft altijd lichaamsdelen die volledig ontwikkeld zijn en bruikbaar zijn voor het individu.
Maar ondanks de problemen van fossilisering kunnen we toch vaststellen dat we voor bijna alle groepen van gewervelde landdieren een goed bewaard archief hebben waarvoor de evolutie de beste verklaring is. Bovendien is een compleet gatenloos archief een onmogelijke en zinloze opdracht. Een gatenloos archief zou erop neerkomen dat je tussen twee individuele fossielen ook nog alle ouders van het jongste fossiel terugvindt tot je bij het eerste fossiel komt. Dat zou betekenen dat je voor twee soorten die 1 miljoen jaar van elkaar verwijderd zijn ongeveer 500.000 tussenfossielen moet kunnen terugvinden in de veronderstelling dat deze dieren zich na 2 jaar voortplanten.
Op de website DaaromEvolutie kan je deze fossielenarchieven mooi bekijken.
Voor de overgang van de gewervelde zeedieren naar landdieren hebben we een prachtig archief dat je kan laten beginnen bij de Osteolepis, een spiervinnige vis uit het devoon waarvan de vinnen al duidelijke gelijkenissen met poten beginnen te krijgen. De Eusthenopteron bezit al botelementen die ook bij landdieren te vinden zijn. Op de website “daaromevolutie” kan je zo 8 verschillende achtereenvolgende fossielen zien, waarbij de laatste, de Ichthyostega duidelijk een landdier is.
Maar een zeer interessant geval dat in deze lijst voorkomt is de Tiktaalik. In het fossielenarchief had men al een redelijk beeld van de evolutie naar landdieren, maar er zat een gat van ongeveer 20 miljoen jaar in. Wetenschappers zijn daarom actief op zoek gegaan. Als de evolutietheorie klopt, dan moest er tussen de Panderichthys en de Elginerpeton een dier geleefd hebben dat een tussenvorm is tussen deze beide soorten. Zo’n uitspraak is een voorspelling gemaakt op basis van een wetenschappelijke theorie en het bewijs van zo’n voorspelling is een belangrijk argument voor de geldigheid van een theorie. Door onderzoek van het beschikbare materiaal en begrip van de gesteenten en de evolutie, kwam men tot de conclusie dat ze moesten gaan zoeken in Devoonlagen op het Canadese eiland Ellesmere. Daar vonden ze in 2004 ook effectief een vrij goed bewaard fossiel van de Tiktaalik (Inuittaal voor ‘grote zoetwatervis’).
Op DaaromEvolutie vind je ook een illustratie van de evolutie van reptielen naar zoogdieren en van dinosaurus tot vogel. Van die laatste denken veel mensen dat de enige oervogel die we kennen de Archaeopterix is, maar op DaaromEvolutie kan je een illustratie van 13 tussenvormen terugvinden. Dit is van verre na het volledige archief niet.
Nog een zeer interessant geval dat je er kan bekijken is de evolutie van de walvissen. Het is interessant om vast te stellen dat walvissen een gemeenschappelijke voorouder hebben met paarden. Dat was een vleesetend hoefdier!
Ook de verschillende stappen in de evolutie van de mens kan je op deze website zien.
In tegenstelling tot wat creationisten beweren, puilen de natuurhistorische musea overal ter wereld uit van de gevonden fossielen.

1.2. De ademhaling van de walvis

In “Kaas en de evolutietheorie” kan je over de evolutie van de walvissen lezen dat hun luchtpijp volledig gekromd is via hun schedel om dan op hun rug uit te komen. Een god die zoiets maakt moet wel een enorme knoeier geweest zijn. Maar vanuit de evolutie is dit heel duidelijk in te zien aangezien het spuitgat van de walvissen geëvolueerd is uit hun neus die altijd maar verder naar achter geschoven is om het ademhalen bij het naar boven komen te vergemakkelijken. Maar je kan je afvragen waarom een god hen dan geen kieuwen gegeven heeft zoals bij haaien.
Een gelijkaardig fenomeen doet zich voor met de nervus laryngeus recurrens. Dit is een zenuw die vanuit de hersenen helemaal naar beneden loopt, onder de aorta door loopt om dan weer helemaal naar boven te lopen tot aan het strottenhoofd, om daar de spieren en het slijmvlies aan te sturen. Dat is toch niet zo erg denk je? Het wordt toch wel een groot probleem wanneer je een giraf bent die daar dan ook zeer veel kwalen aan overhouden. Maar zelfs bij een mens kan dit problemen geven. Een creator die zoiets maakt moet wel een grote knoeier geweest zijn. Vanuit evolutionair oogpunt is dit echter logisch omdat bij vissen de organen, waaruit deze zijn geëvolueerd, recht tegenover elkaar stonden. Als, tijdens de evolutie deze organen echter uit elkaar schuiven, is het onmogelijk voor die zenuw om zichzelf te verleggen voorbij de aorta.

1.3. DNA-onderzoek

Veel mensen denken dat alle kennis rond evolutie afkomstig is van het fossielenarchief, maar zelfs zonder dat fossielenarchief zouden we, geconfronteerd met de ontdekking van het DNA, alleen maar kunnen besluiten dat de evolutietheorie een feit is.
Naast het fossielenarchief is DNA-onderzoek dus een bewijslijn voor de evolutie, die volledig onafhankelijk is van het fossielenarchief. Tijdens de aflevering over de wetenschappelijke methode, aflevering 17, heb ik het gehad over consistentie als een belangrijk principe van de wetenschappelijke methode.
Als je dus de conclusies van het DNA-onderzoek in verband met de verwantschappen tussen de soorten vergelijkt met het fossielenarchief, dan stel je een indrukwekkende consistentie vast tussen beiden. Het is natuurlijk belangrijk om er op de wijzen dat het DNA-onderzoek ook nieuwe inzichten in die verwantschappen heeft opgeleverd doordat het een veel nauwkeurigere en objectievere manier is om deze in kaart te brengen. Bij morfologisch onderzoek, het vergelijken van de vormen van de lichaamsdelen tussen de soorten, moet je steeds steunen op een stuk subjectieve interpretatie van de bioloog. Bij een vergelijking van het DNA hoeft men enkel te kijken waar de genen tussen beide soorten verschillen. Dat is een discrete of digitale beslissing. Ze zijn gelijk of verschillend, iets als een beetje gelijk of een beetje verschillend bestaat daar niet.
In zijn boek “River out of Eden” legt Richard Dawkins deze digitalisering van ons genetisch materiaal uit als een essentiële stap om het evolutieproces goed te laten verlopen. Hij vergelijkt het met de reden waarom wij van de vinylplaat naar de compact disc zijn overgestapt. Analoge informatie digitaliseren vraagt een benadering van de informatie omdat je de analoge gegevens moet benaderen tot de waarden die het discrete model toelaten. Maar eenmaal gedigitaliseerd, kan je de informatie kopiëren en manipuleren zonder verlies aan kwaliteit. Dat proces laat toe om een muziekstuk, of een bestand op een computer duizenden keren te kopiëren, te versturen via het internet, op een memorystick te plaatsen en van daar weer op een mp3-speler, dan op een CD branden, enzovoort zonder dat er ook maar iets van de kwaliteit verloren gaat.
Hetzelfde geldt voor genen. Die kunnen ook duizenden keren gekopieerd worden zonder dat er gegevens verloren gaan. En dat gebeurt ook miljoenen keren per seconde in ons lichaam. De informatie van de celkern wordt gekopieerd naar messenger-RNA die de informatie transporteert naar de ribosomen om het daar te vertalen in aminozuurketens en zo de proteïnen te maken. http://nl.wikipedia.org/wiki/RNA
Toen Charles Darwin “On The Origin Of Species” schreef, had hij geen benul van zo’n mechanisme, maar hij zegt wel expliciet dat er een biologisch mechanisme moet bestaan om de genetische informatie naar de volgende generatie te kunnen overdragen. Hij wist zeker ook niet dat zo’n mechanisme discreet zou zijn, hij dacht dat variaties tussen individuen willekeurig klein konden zijn.
Maar dat er een biologisch proces moet bestaan dat de overerving regelt is een voorspelling die het directe gevolg is van de postulering van de evolutietheorie.
Kort na de ontdekking van de evolutietheorie zijn de wetten van Mendel bekend geraakt, die een de processen van overerving verklaarden maar de achterliggende mechanismen nog niet uitlegden. De ontdekking van het DNA was dus voorspeld door de evolutietheorie.

1.4. De (ir)relevantie van de classificatie van soorten

De classificatie van soorten of taxonomie zoals we die nu kennen is ontwikkeld door Carolus Linnaeus in de 18de eeuw die bovendien een overtuigd creationist was, wat niet zo uitzonderlijk was in die tijd, alhoewel er zich al ideeën over evolutie begonnen te ontwikkelen.
Het is heel belangrijk om te melden dat deze taxonomie een zeer belangrijke discipline is van de moderne biologie en nog altijd wordt onderwezen. Het helpt om orde te scheppen in de enorme diversiteit van de natuur.
Maar de taxonomie geeft belangrijke problemen omdat er op alle domeinen uitzonderingen zijn. Zo heb je ringsoorten. Dat zijn soorten waarbij individuen, die geografisch ver van elkaar verwijderd zijn, duidelijk tot verschillende soorten horen. Een klassiek criterium van de taxonomie is dat de individuen niet in staat zijn om met elkaar te paren. Maar als je de verschillende individuen in hun geografische spreiding volgt stel je vast dat er een geleidelijke overgang is tussen de individuen waarbij hun karakteristieken geleidelijk aan overgaan van die van het individu aan de ene kant van het gebied naar het individu aan de andere kant van het gebied, maar waarbij de individuen aan de uiteinden van de ring teveel van elkaar verschillen om nog vruchtbare nakomelingen te geven. Voorbeelden van ringsoorten bestaan er onder andere bij meeuwen, salamanders en vlinders.
Maar de taxonomie heeft op nog veel andere vlakken problemen. Er bestaan diersoorten die moeilijk te klasseren zijn binnen de ene of de andere klasse.
Ondertussen wordt er meer en meer gewerkt met het DNA en de daaruit afgeleide evolutionaire stamboom. Daardoor weten we nu bijvoorbeeld dat panda’s dichter bij de honden dan bij de beren zitten.

1.5. Platentektoniek

http://steeman.dk/daaromevolutie-net/default.asp?action=show&what=art&ID=68&topic=&segm=3
http://www.ngdc.noaa.gov/mgg/image/crustalimages.html
De theorie van de platentektoniek is een wetenschappelijke theorie die helemaal niets met evolutie of zelfs biologie te maken heeft. De geldigheid van de theorie van de platentektoniek is vorige week op een wrede manier opnieuw geïllustreerd met de ramp in Haiti. Als deze door een god zou veroorzaakt zijn stel ik me toch de vraag waarom die het gemunt heeft op één van de armste sukkelaars van de wereld en niet op die harteloze multimiljonairs doe op hun priveschip op de oceaan dobberen. Zoals we eerder al zeiden, moeten wetenschappelijke theorieën consistent zijn. Niet alleen binnen het wetenschappelijke gebied dat ze bestrijken, maar ook tegenover de wetenschap als geheel.
Er zijn verschillende zaken die bewijzen dat ooit verschillende huidige continenten samen één groot continent, Pangea genaamd, vormden. De mechanismen die erachter zitten worden tegenwoordig goed begrepen en ik heb er even over uitgeweid tijdens de aflevering over IJsland. Maar zeer interessant en veelzeggend is de bewijslijn van de gesteenten waarbij je perfect kan zien hoe bepaalde formaties tussen bijvoorbeeld Latijns Amerika en Afrika gewoon doorlopen. Ook de leeftijd van de gesteenten in de Atlantische oceaan en hun magnetische polariteit tonen dit aan.
Een zeer interessant verschijnsel bij de fossielen is dat we fossielen van dezelfde soorten vinden aan beide zijden van de oceaan in net die gebieden die corresponderen met de net besproken gesteenten. Bovendien stellen we vast dat die gelijke soorten verdwijnen na de splitsing van het continent en gaan de soorten hun eigen weg aan beide zijden van de oceaan.
Wie deze theorie naast zich neerlegt moet een andere uitleg proberen te vinden, niet alleen voor de zopas besproken divergentie van de soorten aan beide kanten van de oceaan, maar ook voor de zopas besproken gesteenten op het land en in de zee, voor de ligging van de oceanen en de gebergten en natuurverschijnselen zoals aardbevingen en vulkaanuitbarstingen.
Ik heb het weeral over consistentie gehad. Het is niet de laatste keer dat ik het daarover zal hebben.

1.6. De Kipposaurus

We hadden het al over het DNA-onderzoek. Dit onderzoek heeft onder meer aangetoond dat de vogels wel degelijk verwant zijn met reptielen en hun latere erfgenamen de dinosaurussen. Maar een heel specifiek element dat DNA-onderzoek aan het licht bracht is dat vogels nog altijd de genen bezitten die coderen voor tanden, ze zijn enkel uitgeschakeld door andere genen. Meer nog, onlangs zijn wetenschappers erin geslaagd om bij een kip die genen opnieuw te activeren en zo een kip met tanden te kweken.
Een goede verklaring voor dit fenomeen is dat vogels van tandhebbende soorten evolueerden. Een slechte verklaring zou kunnen zijn dat god het wel grappig vond om die code in het DNA van vogels te steken zonder ze te gebruiken.

1.7. Vitamine C

Primaten, dat zijn mensen, chimpansees, gorilla’s en oerang-oetangs kunnen zelf geen vitamine C aanmaken terwijl alle andere zoogdieren dat wel kunnen. Ze halen hun vitamine C dus noodgedwongen uit fruit. Nochtans hebben ze alle genen om de aanmaak te bewerkstelligen, alleen het gen van de laatste stap is defect, en wel op identiek dezelfde manier. Volgens mij is de beste verklaring hiervoor dat deze soorten een gemeenschappelijke voorouder hebben bij wie het gen door een mutatie defect ging, maar aangezien ze het niet echt nodig hadden is deze voorouder erin geslaagd om zich verder voort te planten.

1.8. Ouderdomsbepaling

http://nl.wikipedia.org/wiki/Datering
De ouderdom van fossielen wordt op vele verschillende manieren bepaald. De meest klassieke en oudste manier van ouderdomsbepaling bestaat in het meten en tellen van de lagen sediment waaronder de fossielen liggen. Je zou natuurlijk kunnen beweren dat je geen enkele garantie hebt dat beiden overeen komen, vooral omdat de zondvloed al die lagen door elkaar gooide. Maar je moet wel sterk in je schoenen staan om dat te beweren als je vaststelt dat je op verschillende vindplaatsen dezelfde fossielen systematisch in dezelfde lagen gevonden worden en dat in de lagen eronder oudere fossielen gevonden worden en in hogere lagen jongere.
Toen ooit een creationist aan Haldane vroeg welk bewijsmateriaal hem zou kunnen overtuigen dat de evolutietheorie fout is, antwoordde deze: Een konijnenfossiel in de precambrium lagen.
Een tweede manier bestaat erin om het radioactief verval te meten van isotopen die voorkomen in de fossielen of in de gesteenten waarin de fossielen gevonden worden. Veel mensen denken dat daarvoor de koolstof14 methode toegepast wordt, maar dat is niet waar omdat die methode maar bruikbaar is tot een ouderdom van ongeveer 60.000 jaar. Het is dus wel interessant voor de archeologie, maar niet voor de paleontologie. Toch wordt door de creationisten juist deze ouderdomsbepaling dikwijls aangevallen. Daarom wil ik daar graag even op in gaan. Een andere ouderdomsbepaling, die door archeologen soms gebruikt wordt, is gebruik te maken van jaarringen in bomen. Door nu de koolstof14 methode toe te passen op het hout van de jaarringen van een boom, kan je g de koolstof14 methode kalibreren. Daarbij kan je trouwens veel verder gaan dan de leeftijd van de oudste levende boom. Door het C14-gehalte in dood hout te vergelijken met de jaarringen van levende bomen, als hun levenslopen overlappen, kan je de leeftijd van de overlappende jaarring in het dode hout bepalen en zo ook de leeftijd van de oudere jaarringen. Deze methode kan je meerdere keren in cascade gebruiken als je het geluk hebt om houten overblijfselen van oude culturen vindt waarvan de jaarringen overlappend zijn kan je zo de C14 methode vrij nauwkeurig over een vrij lange periode onderzoeken en ijken. En het besluit is dat de methode vrij nauwkeurig is, maar door die ijking kan men nog veel nauwkeuriger gaan.
Maar bij paleontologie worden andere isotopen dan die van koolstof gebruikt die een veel langere halveringswaarde hebben. Onder andere van de elementen kalium, rubidium, uranium, lood en jood.
Ten slotte bestaat er DNA-datering. Daarbij gaat men eigenlijk vooral zoeken naar de tijd waarin soorten van elkaar splitsten. Dit gebeurt door het verschil in de DNA-code te analyseren in het zogenaamde junk-DNA. Dat is DNA dat niet gebruikt wordt. Het gevolg daarvan is dat als er in dat deel van het DNA een mutatie gebeurt, deze niet wordt uitgeselecteerd door het evolutieproces omdat het geen enkele invloed heeft op de voortplantingskansen van het individu. Bijgevolg kan je ervan uitgaan dat het voorkomen van mutaties in deze gebieden volledig bepaald wordt door het toeval. mutaties. De verwachte periode waarin zoiets gebeurt kan je berekenen. Op die manier kan je een goede schatting maken van het tijdstip waarom de gemeenschappelijke voorvader leefde. Hoe meer mutaties hoe langer geleden dat de twee individuen een gemeenschappelijke voorouder hadden.
Merk op dat je voor elk van deze methoden onnauwkeurigheden zou kunnen opnoemen, of een, soms ver gezochte, reden zou kunnen bedenken waarom ze niet correct is. Maar er is nog een belangrijk element dat hier meespeelt. Daar ben ik weer: Consistentie. Al deze methoden wijzen op dezelfde besluiten. Als al deze methoden verkeerd zijn dan is het toch wel eigenaardig dat, alhoewel ze volgens totaal verschillende principes werken, toch allemaal tot consistente resultaten komen!

Evolutie terwijl we erop staan te kijken:

Een veel gehoorde kritiek is dat de evolutietheorie geen echte wetenschap is omdat een wetenschappelijke proef herhaalbaar is. Die uitspraak houdt geen steek, omdat die niet slaat op theorievorming zelf, maar enkel op laboratoriumproeven. Het lijkt nogal evident dat deze uitspraak niet kan tegengesproken worden omdat de evolutie normaal over miljoenen jaren loopt zodat zo’n onderzoek onmogelijk kan worden uitgevoerd gedurende het leven van een wetenschapper, of zelfs over de volledige periode van een cultuur!
Toch zijn de bewijslijnen, die in hier nu ga bespreken, wel degelijk zaken die tijdens die kortere periodes lopen en de eerste die ik zal bespreken is een indrukwekkend onderzoek dat wel degelijk herhaalbaar is!

1.9. E. Coli proef met citroenzuur.

http://scienceblogs.com/loom/
http://www.theskepticsguide.org/archive/podcastinfo.aspx?mid=1&pid=148
Carl Zimmer http://carlzimmer.com/books/microcosm/index.html
http://nl.wikipedia.org/wiki/E_coli
http://www.uni-giessen.de/ecoli/IECA/index.php
In zijn boek “Microcosm” bespreekt Carl Zimmer uitgebreid de bacterie Escherichia Coli. E. Coli is een bacterie die onder andere voorkomt in de darmen van zoogdieren. Het is ook een geliefd onderzoeksobject voor wetenschappers en Zimmer spreekt daar dan ook over. Zo’n organisme heeft veel voordelen. Ten eerste is het vrij eenvoudig. Zeker in vergelijking met meercellige wezens, maar bovendien splitst het zich zeer snel zodat je op heel korte tijd heel veel generaties kan krijgen. Een generatie duurt ongeveer 20 minuten.
Maar het experiment waar ik zo van onder de indruk was is het volgende: een onderzoeksteam onder leiding van bacterioloog Richard Lenski had een kweek van E. Coli aangelegd die gevoed werd met glucose. Geleidelijk aan werd de glucose vervangen door citroenzuur. Maar het metabolisme van de E. Coli is niet in staat om citroenzuur te verwerken. Het gevolg is dat er heel snel een voedseltekort ontstaat voor de steeds groeiende populatie. Daardoor ontstaat een belangrijke selectiedruk. Om het verhaal kort te maken, is deze populatie na ongeveer 45.000 generaties geëvolueerd tot een soort die wel in staat is om citroenzuur te verwerken. Om dit te realiseren waren er in totaal 3 mutaties nodig op verschillende plaatsen van het DNA.
Dit is dus een herhaalbare proef. Elk laboratorium kan het volledige onderzoek opnieuw uitvoeren en vaststellen of dit inderdaad gebeurt. Maar er is nog meer. Het onderzoeksteam heeft van elke duizendste generatie een staal ingevroren zodat gelijk welk onderzoeksteam zo’n staal kan ontdooien en vanaf dat stadium het onderzoek verder uitvoeren, of een DNA-onderzoek doen op die generatie ten einde de resultaten te verifiëren.

1.10. Aardappelschimmel die plots geslachtelijk voortplant.

In de loop van de 20ste eeuw heeft de mens zich meer en meer gewapend tegen ziektekiemen. Zo hebben boeren lange tijd effectief de aardappelen gesproeid tegen de aardappelschimmel en zo een hongersnood vermeden zoals die rond de vorige eeuwwisseling. Maar zo’n effectieve bestrijding legt ook een evolutionaire druk op de soort. Op een bepaald ogenblik werd de bestrijding van de schimmel veel moeilijker omdat de schimmel een nieuwe verdedigingsstrategie had ontwikkeld. Ze begon zich op een bepaald ogenblik geslachtelijk voort te planten. Het voordeel van geslachtelijke voortplanting is dat er veel meer variatie ontstaat tussen de individuen zodat de kans groter wordt dat er binnen de populatie individuen ontstaan die bestand zijn tegen een bepaalde bedreiging. Die kunnen dan snel zorgen voor nieuwe resistente generaties die echter ook eigenschappen kunnen meenemen van andere individuen dan de resistente. Bij ongeslachtelijke voortplanting is elke volgende generatie een kloon, of exacte kopie van de vorige en ontstaan variaties alleen door mutaties. Het is dan ook onmogelijk om de eigenschappen van verschillende individuen te mixen.
Dit is dus een proces dat verlopen is gedurende een periode die niet groter was dan een menselijke generatie. Het fenomeen is dan ook goed gedocumenteerd.

1.11. Aids virus, griep virus.

De belangrijkste reden waarom we aids en griep maar niet de wereld uit kunnen krijgen is dat deze virussen een verdedigingsstrategie hebben ontwikkeld door snel te veranderen. Dat betekent dat bepaalde delen van hun erfelijk materiaal voortdurend veranderen. Op die manier kunnen ze de antilichamen van de mens om de tuin leiden. Dat is dus ook de reden waarom we elk jaar opnieuw een griepvaccin moeten krijgen dat dan nog maar een verwachte effectiviteit heeft van ongeveer 80%. Er is altijd een kans dat het virus gemuteerd is nadat de vaccins aangemaakt zijn.

1.12. Darwin vinken

Recent onderzoek heeft belangrijke veranderingen aangetoond aan de bekken van de vinken die Darwin ooit observeerde op de Galapagos eilanden, beschreven heeft in zijn reisverslag met de Beagle en waarvan hij enkele dode exemplaren meenam naar Engeland. Interessant om weten is dat, alhoewel het verhaal van Darwin en zijn vinken heel bekend is, in tegenstelling tot wat men denkt, deze vinken geen rol van betekenis gespeeld hebben bij het uitwerken van de evolutietheorie. In “On the origin of species” spreekt Darwin er zelfs niet over.
Dit is één van die variaties die in de natuur geobserveerd werden, maar er zijn er nog veel meer. Onder andere van hagedissen die langere poten krijgen om zich tegen mieren te beschermen, vogels die veranderen omdat mensen ’s winters voedsel klaar zetten en zo verder.

Ik kan nog uren doorgaan, maar ik ben nu al veel te lang bezig.

2. Het citaat

Het citaat van vandaag komt van Theodosium Dobshansky.
Dobzhansky was een Oekraïense evolutiebioloog uit de 20ste eeuw.
Dobzhansky zei:
Niets in de biologie heeft zin, behalve in het licht van evolutie.

Tot de volgende keer.

Wees de eerste om te reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *