Het geurige mysterie van het menselijke feromoon

Play

‘Feromoon’ is een heel krachtig woord. Het roept seks op, losbandigheid, controleverlies. Zoals je ziet is het een heel belangrijk woord. Maar het is pas 50 jaar oud. Het werd uitgevonden in 1959. Als je dat woord op het internet opzoekt, wat je misschien al deed, krijg je miljoenen hits. Bijna al die sites proberen iets te verkopen waardoor je onweerstaanbaar wordt, voor 10 dollar of meer. Als dat geen aantrekkelijk idee is…

Inleiding
Goeiedag, het is vandaag zondag 24 januari ’16, ik ben Jozef Van Giel en dit is de 257ste aflevering van deze podcast.
En ik heb er vorige keer niet op gelet, maar we hebben met Kritisch Denken een belangrijke kaap overbrugd. Vorige keer hebben we de 256ste aflevering, of de 2 tot de 8ste aflevering. Dat lijkt me een veel interessantere kaap dan bijvoorbeeld de 200ste, want 200 steunt enkel op de conventie dat we toevallig het 10-delig talstelsel hebben gekozen. Maar 256 en 8 keer 2 met zichzelf vermenigvuldigen. En deze aflevering is ook speciaal. 257 is een priemgetal.
En ik heb weer een luisterboek ingesproken. Deze keer heeft het niets met kritisch denken te maken. Het is een tekst over mijn grootvader die kunstschilder was. Op de notitiepagina van deze aflevering zal ik een link plaatsen vanaf waar je dit luisterboek kan downloaden.
Vandaag horen jullie de vertaling van een TED-talk van Tristram Wyatt over feromonen. De vertaling is van Els De Keyser.
Het geurige mysterie van het menselijke feromoon

‘Feromoon’ is een heel krachtig woord. Het roept seks op, losbandigheid, controleverlies. Zoals je ziet is het een heel belangrijk woord. Maar het is pas 50 jaar oud. Het werd uitgevonden in 1959. Als je dat woord op het internet opzoekt, wat je misschien al deed, krijg je miljoenen hits. Bijna al die sites proberen iets te verkopen waardoor je onweerstaanbaar wordt, voor 10 dollar of meer. Dat is een aantrekkelijk idee. De moleculen die ze vermelden, klinken erg wetenschappelijk. Ze tellen vele lettergrepen. Dingen als androstenol, androstenone of androstenedione. Het wordt als maar beter, en als je daar nog witte labojassen aan toevoegt, dan stel je je voor dat hier geweldige wetenschap achter zit. Helaas zijn dit bedrieglijke claims gebaseerd op bedenkelijke wetenschap.
Het probleem is dat er weliswaar vele goede wetenschappers studeren op wat ze beschouwen als menselijke feromonen en erover publiceren in gerespecteerde tijdschriften, maar zonder dat er, ondanks de verfijnde experimenten, stevige wetenschap aan ten grondslag ligt. De basis is het probleem dat niemand ooit systematisch alle geuren die mensen produceren heeft onderzocht. We geven duizenden moleculen af. We zijn zoogdieren. We produceren veel geur. Niemand heeft systematisch onderzocht welke moleculen echt feromonen zijn. Ze kozen er een paar uit, en alle experimenten zijn daarop gebaseerd. Maar er is geen sluitend bewijs.
Dat betekent niet dat geur niet belangrijk is voor mensen. Dat is wel zo. Er bestaan heuse enthousiastelingen. Napoleon was één van hen. Je herinnert je misschien dat hij, toen hij op pad was om oorlog te voeren, aan zijn minnares, keizerin Josephine, schreef: “Was je niet, ik kom eraan.” Hij wilde niets van haar rijkdom missen in de dagen voor hij thuiskwam. Er bestaan nog steeds websites die dit aanhalen als een raar trekje. Tegelijkertijd besteden we ongeveer evenveel geld aan het verwijderen van onze geurtjes als in het aanbrengen ervan, via parfums.
De parfumsector is vele miljarden waard.
In de rest van deze lezing wil ik uitleggen wat feromonen echt zijn, waarom we er volgens mij van mogen uitgaan dat mensen feromonen hebben, welke verwarring er zoal bestaat rond feromonen. Tenslotte wil ik afsluiten met een veelbelovend pad dat ons toont waar we heen moeten.
De Oude Grieken wisten dat honden elkaar onzichtbare signalen sturen. Een loopse teef zond onzichtbare signalen naar reuen, kilometers in de omtrek en dat was geen geluid, maar een geur. Je kon de geur van de teef gebruiken om de reuen achter een doek aan te jagen. Maar de mensen die dit zagen, konden de moleculen niet identificeren. Ze konden niet aantonen dat het chemisch was. Dat komt doordat elk van deze dieren kleine hoeveelheden afscheidt. Bij de honden geldt dat een reu het kan ruiken, maar wij niet. Pas in 1959 wist een Duits team, na 20 jaar onderzoek naar deze moleculen, het eerste feromoon te ontdekken en te identificeren. Dat was het seksferomoon van een zijdemot. Dat was een geïnspireerde keuze van Adolf Butenandt en zijn team, want hij had een half miljoen motten nodig om voldoende materiaal te hebben voor de chemische analyse. Maar hij creëerde het model voor de aanpak van feromoonanalyse. Hij liep ze allemaal af en toonde aan dat alleen de molecule in kwestie de mannetjes stimuleerde, en de andere niet. Hij analyseerde die erg zorgvuldig. Hij synthetiseerde ze en probeerde de synthetische molecule uit op de mannetjes. Ze reageerden en toonden aan dat het inderdaad die molecule was. Zo was de cirkel rond. Dat is wat voor mensen nog nooit is gebeurd: niets systematisch, er is geen echt bewijs.
Met dat nieuwe concept hadden we een nieuw woord nodig. Dat werd ‘feromoon’. Het staat voor het overbrengen van opwinding tussen mensen. Sinds 1959 zijn in het hele dierenrijk feromonen ontdekt, in mannetjes en in wijfjes. Het werkt even goed onder water. Voor goudvissen en kreeften. Voor zowat elk denkbaar zoogdier is een feromoon geïdentificeerd, en voor een enorm aantal insecten.
We weten dus dat feromonen in het hele dierenrijk bestaan. En de mens?
Om te beginnen zijn we zoogdieren, en zoogdieren geven geur af. Elke hondenbezitter zal je zeggen dat wij geur afgeven en zij ook.
Maar de echte reden om te denken dat mensen feromonen hebben, is de verandering tijdens het opgroeien. De geur van een zaal vol tieners is helemaal anders dan die van een zaal vol kleine kinderen. Wat is er anders? De puberteit, natuurlijk. Tegelijk met het schaamhaar en het okselhaar beginnen op die plekken nieuwe klieren te werken. Van daar komt de andere geur. Als we een ander soort zoogdier waren, of een andere diersoort, zouden we zeggen: “Dat zal wel met feromonen te maken hebben.” En we zouden goed gaan zoeken.
Maar er zijn wat problemen, en daarom heeft men volgens mij niet zo goed gezocht naar feromonen bij mensen. Het eerste probleem is misschien verrassend: het draait om cultuur. Motten leren niet veel over wat lekker ruikt, maar mensen wel. Tot we vier jaar zijn, is elke geur, hoe ranzig ook, gewoon interessant. Ik begrijp dat de hoofdtaak van ouders erin bestaat om te beletten dat kinderen in de stront roeren, want dat ruikt altijd lekker. Geleidelijk aan leren we wat niet goed is. Eén van de dingen die we ook leren terwijl we het slechte leren herkennen, is wat goed is.
Rijpe blauwe stilton is een Britse, zo niet Engelse delicatesse. Dat je dat lekker vindt, snapt niemand die uit een ander land komt. Elke cultuur heeft zijn specifieke voedsel en nationale delicatesse. Als je uit IJsland zou komen, zou je nationale gerecht grondig verrotte haai zijn. Dit zijn allemaal aangeleerde smaken, maar het zijn haast identiteitsbewijzen. Je bent deel van de in-groep.
Het tweede is de geurzin. Ieder van ons heeft een unieke geurwereld: wat we ruiken, is voor elk van ons een geheel andere wereld. Geurzin was het moeilijkst te doorgronden zintuig. Richard Axel en Linda Buck kregen pas in 2004 de Nobelprijs voor hun ontdekking van de werking van geur. Het is echt lastig. Het komt erop neer dat zenuwen uit de hersenen in de neus uitkomen. Op deze zenuwen die in de neus blootgesteld zijn aan de buitenlucht, zitten receptoren. Geurmoleculen komen binnen als we inademen en interageren met de receptoren. Komt er een verbinding tot stand, dan sturen ze een zenuwsignaal terug naar het brein. We hebben niet één soort receptor. Als mens heb je ongeveer 400 verschillende soorten receptoren. Het brein weet wat je ruikt door de combinatie van receptoren en de zenuwcellen die ze in werking stellen en die boodschappen naar het brein sturen in een bepaalde combinatie. Het is nog wat ingewikkelder omdat er van elk van die 400, verschillende varianten zijn. Afhankelijk van je variant ruik je het kruid koriander als iets heerlijks en smakelijks of als iets zeep-achtigs. We hebben dus elk een individuele geurenwereld en dat maakt het ingewikkeld om geur te bestuderen.
We moesten het maar eens hebben over oksels. Ik moet zeggen dat de mijne van topkwaliteit zijn. Ik ga ze niet met jullie delen, maar dit is de plek waar de meeste mensen naar feromonen zijn gaan zoeken. Er is één goede reden: voor mensapen zijn oksels hun unieke kenmerk. Andere primaten hebben geurklieren op andere plaatsen van het lichaam. Mensapen hebben oksels vol afscheidingsklieren die de hele tijd geur produceren, enorme hoeveelheden moleculen. Als de klieren ze afscheiden, zijn die moleculen geurloos. Ze hebben geen geur. Het zijn de wonderlijke bacteriën die groeien in het regenwoud van haar die de geuren produceren die we kennen en leuk vinden. Als je dus paal en perk wil stellen aan de hoeveelheid geur, is je oksels scheren een effectieve manier voor het terugdringen van de habitat voor bacteriën. Je zult merken dat ze minder rieken, voor een langere tijd. Dat we ons op oksels toelegden, kwam deels omdat ze de minst gênante plaats zijn om staaltjes te vragen aan mensen. Maar er is nog een reden waarom we misschien geen universeel sekshormoon zoeken op die plek. Twintig procent van de wereldbevolking heeft namelijk geen geurige oksels zoals ik. Dat zijn mensen uit China, Japan, Korea en andere delen van Noord-Oost-Azië. Ze scheiden gewoon die geurloze voorlopers waar bacteriën dol op zijn niet af om geuren te produceren waarvan wij in ons etnocentrisme altijd dachten dat ze typisch zijn voor oksels.
Dat geldt niet voor 20 procent van de wereld.
Wat moeten we dan doen op onze zoektocht naar menselijke feromonen? Ik ben ervan overtuigd dat we er hebben. We zijn zoogdieren, en net als andere zoogdieren hebben we er allicht. Volgens mij moeten we teruggaan naar het begin en het hele lichaam afzoeken. Maakt niet uit hoe gênant het is, we moeten op zoek gaan en die plaatsen opzoeken waar niemand een voet durfde zetten. Het wordt lastig, het wordt gênant, maar we moeten gaan kijken. We moeten terug naar de ideeën van Butenandt, toen hij de zijdemot bestudeerde. We moeten systematisch zoeken naar alle moleculen die we produceren en nagaan welke er echt mee te maken hebben. Het volstaat niet om er enkele uit te plukken en te zeggen: “Die zijn goed genoeg.” We moeten aantonen dat ze echt het beweerde effect hebben.
Eén team maakte grote indruk op mij. Het is een Frans team. Hun vorige succes was de identificatie van het borstklierferomoon van het konijn. Ze hebben hun aandacht nu gericht op menselijke baby’s en moeders.
Bij vrouwen die borstvoeding geven, is er een afscheiding van een witte stof rond de borst. Dat is de afscheiding van de klieren van Montgomery. We hebben die allemaal, mannen en vrouwen. Het zijn de kleine bobbeltjes rondom de tepel. Als vrouwen de borst geven, komt er een afscheiding uit. Die afscheiding is heel interessant. Benoist Schaal en zijn team ontwikkelden een simpele test om te onderzoeken wat het effect van de afscheiding is. Het is een eenvoudig effectonderzoek. Als we onder de neus van een slapende baby een schone glazen staaf schuiven, dan blijft de baby gewoon voort slapen, hij heeft geen belangstelling. Maar vragen we aan een moeder om afscheiding van haar klieren van Montgomery — het gaat dus niet om herkenning, elke moeder is goed — en duwen we die afscheiding onder de neus van de baby, dan krijgen we een heel andere reactie. Het is een kennersreactie van verrukking. De baby opent zijn mond, steekt zijn tong uit en begint te zuigen. Omdat dit van elke moeder kan komen, kan het echt een feromoon zijn. Het gaat niet om individuele herkenning. Elke moeder is goed.
Waarom is dit belangrijk en niet gewoon erg interessant? Omdat vrouwen een wisselend aantal klieren van Montgomery hebben. Er is een correlatie tussen het gemak waarmee baby’s beginnen te zuigen en het aantal klieren van Montgomery. Hoe meer afscheiding, hoe waarschijnlijker het is dat de baby snel gaat zuigen.
Voor zoogdieren is het gevaarlijkste moment van het leven de eerste uren na de geboorte. Je moet aan die eerste melk komen. Lukt dat niet, dan overleef je het niet. Dan ga je dood. Vele baby’s vinden het moeilijk om die eerste maaltijd te nuttigen omdat ze niet de juiste stimulus krijgen. Als we konden identificeren wat die molecule was, en het Franse team is erg voorzichtig, maar als we die molecule konden identificeren, en synthetiseren, dan zouden premature baby’s waarschijnlijk meer zuigen en zou elke baby een betere overlevingskans hebben. Mijn betoog is dus dat dit één voorbeeld is van hoe een systematische wetenschappelijke aanpak je echt begrip kan opleveren van feromonen. Allerlei medische interventies zouden mogelijk worden. Mensen doen misschien allerlei dingen met feromonen die we nu nog niet kennen. We mogen dus niet vergeten dat feromonen niet alleen om seks draaien. Het gaat om allerlei dingen in verband met het leven van zoogdieren. Ga dus verder en zoek naar meer. Er is veel te vinden.

Het citaat
Het citaat van vandaag komt niet van Marc Twain. In feite weet ik niet van wie dit citaat komt, maar het wordt wel aan Marc Twain toegeschreven. Dat op zich maakt dit citaat net zo interessant.
Ik kwam het voor het eerst tegen op een lezing door Catherine de Jong die toen voorzitster was van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Kortom, Catherine de Jong is een autoriteit in de skeptische wereld.
Toen ik het citaat hoorde heb ik het genoteerd. En toen ik thuis kwam ben ik het gaan opzoeken om te gebruiken in mijn podcast. Het citaat is zeer populair in de cyberwereld, want ik had 223000 hits.
Maar ik probeer ook altijd in de mate van het mogelijke uit te zoeken of dit citaat echt van die persoon komt en de conclusie was negatief. De WikipediA wereld kwam me hier opnieuw ter hulp met Wikiquotes, één van de weinige sites die aangeeft dat dit niet van Marc Twain komt. Het voordeel is dat WikipediA eist dat je referentiemateriaal geeft om je standpunt te bewijzen. Dus, als je denkt dat dit wel degelijk van Marc Twain komt, zoek dan nog eens dat originele boek van deze schrijver en geef het aan in WikiQuote. Ze zullen je dankbaar zijn met deze bijdrage.
Enige tijd later heb ik Catherine de Jong opnieuw tegengekomen en haar dat verteld. Ze heeft er goed mee kunnen lachen en, zoals het een goede skepticus betaamt, haar fout toegegeven.
Het interessante van dit citaat is dat het feit dat het niet van Marc Twain is, de inhoud van het citaat alleen maar bevestigt. Misschien was dat precies het statement dat de anonieme uitvinder van het citaat wou bereiken.
Ik heb dit citaat ook een tijd onder mijn e-mailhandtekening gezet met als referentie: “foutief toegeschreven aan Marc Twain”.
Hier komt het. Marc Twain zei niet:

Het is gemakkelijker om mensen te belazeren dan om hen te overtuigen dat ze belazerd worden.

Bronnen

Wees de eerste om te reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *