God tikte je op je schouder

Play

Hebben Skeptici soms ook bovennatuurlijke ervaringen? Isaac Asimov bijvoorbeeld.

Inleiding
Goeiedag, het is vandaag zondag 8 januari 2011, ik ben Jozef Van Giel en dit is de 113de aflevering van deze podcast. Deze aflevering kwam tot stand mede dankzij Rik Delaet. De muziek is van Niek Lucassen.
God tikte je op je schouder

God tikte je op je schouder

You have been poked by God, door Daniel Loxton (07 juni 2011)


Sceptische pionier Isaac Asimov (een van de oprichters van CSICOP, nu CSI genaamd) heeft een dergelijke duizelingwekkende bibliotheek van boeken (meer dan 500!) bijeengeschreven dat zijn meerdere autobiografieën slechts tussendoortje waren. Ik heb drie Asimov autobiografieën in de Junior Skeptic bibliotheek staan. Soms haal ik er voor de lol een willekeurige uit, sla ze open en lees de eerste twee pagina’s waar mijn oog toevallig op valt.

 

Telkens ik dit doe:

  1. lees ik iets grappigs,
  2. leer ik iets interessants,
  3. en voel ik een blogpost kant-en-klaar in mij opwellen.

Dit was zeker het geval toen ik Asimov’s verhaal over zijn persoonlijke ervaring van psychisch voorgevoel of goddelijke interventie las – in de vorm van een letterlijke tik op zijn schouder.[1]

Zoals verteld in ‘I Asimov’ speelt het verhaal zich af op een middag in 1990. Asimov lag te slapen in een eenpersoonskamer in het ziekenhuis (waar hij werd behandeld voor ernstige hartproblemen). Zijn vrouw Janet was terug naar huis om wat klusjes te klaren, waardoor Asimov alleen achterbleef in zijn afgesloten ruimte.

Dan gebeurde er iets vreemds. Asimov herinnerde zich: “Ik sliep en een vinger porde mij. Ik werd wakker, natuurlijk, en keek wat suf om me heen om te zien door wie en voor wat ik werd gewekt.”

Hij inspecteerde de heldere, zonnige kamer. Ze was leeg. De deur zat op slot. De badkamer was leeg. Er was niemand op het toilet. Het was een echt angstaanjagend, afgesloten-kamermysterie, net als die waar hij vaak over schreef. Automatisch drong zich een verklaring op:

Hoe rationalistisch ik ook ben, ik kon alleen maar bedenken dat een bovennatuurlijke invloed was tussengekomen om me te vertellen dat er iets gebeurd was met Janet (mijn ultieme angst, natuurlijk). Ik aarzelde een ogenblik in een poging mij ertegen te verzetten en voor iedereen behalve voor Janet zou het me ook gelukt zijn. Ik belde haar dus op.

Gelukkig antwoordde zijn vrouw meteen. Alles was prima.

Opgelucht hing ik de telefoon weer op en hield me bezig met het probleem wie of wat me had gepord. Was het gewoon een zintuiglijke droom, een hallucinatie? Misschien, maar het leek helemaal echt.

Uiteindelijk knobbelde hij uit wat er was gebeurd: met zijn armen gekruist was Asimov erin geslaagd om zichzelf tegen de schouder te porren. Mysterie opgelost.

Maar stel, dacht hij, dat de dingen een beetje anders waren gelopen.

Stel nu dat precies op het moment dat ik mezelf had aangetikt Janet door een volslagen zinloos toeval was gestruikeld en haar knie had geschaafd. En stel dat toen ik belde, ze kreunend had gezegd: “Ik heb mezelf net pijn gedaan.”
Zou ik in staat zijn geweest om de gedachte aan een bovennatuurlijke inmenging te weerstaan? Ik hoop het. Maar zeker ben ik niet. Door de wereld waarin wij leven. De sterkste zou ervoor vallen, en ik kan me niet voorstellen dat ik de sterkste ben.

Overtuigingskracht van Persoonlijke Ervaring

Het is gemakkelijk om in te zien hoe Asimov’s buikgevoel van het bovennatuurlijke hem had kunnen overtuigen en Asimov was eerlijk genoeg om dat toe te geven. Het gebeurde immers tijdens een levensbedreigende ziekte dicht bij zijn levenseinde op een moment dat hij geobsedeerd was door de dood. (Op een gelijkaardige, maar lichtere noot, had Asimov rond deze tijd een droom, waarin hij, verbijsterd, aankwam in de hemel. Na de engel die hem begroette, uitgehoord te hebben over de vraag of er geen fout was gebeurd bij het toelaten van een oude atheïst, dacht Asimov even na en wendde zich dan tot de opname-engel en vroeg: “Is er hier een typemachine die ik mag gebruiken?“[2])

Gebeurtenissen zoals Asimov’s voorgevoel zijn de perfecte aanleiding voor bovennatuurlijke overtuigingen: mensen zijn gemakkelijk in de war te brengen en maken al vlug de sprong naar een bovennatuurlijke uitleg; ervaringen van dit soort voelen enorm krachtig aan en wat er allemaal vast hangt aan geloof in het bovennatuurlijke kunnen het zeer, zeer verleidelijk maken. Dat is een hoop om tegen op te boksen.

Zoals Asimov vroeg in de Skeptical Inquirer in 1986:

Lijkt de gedachte om te sterven je aanlokkelijk, of het idee dat iemand waar je van houdt zal doodgaan? Kun je het iemand verwijten dat hij zichzelf wijsmaakt dat er zoiets als eeuwig leven bestaat en dat hij alle mensen die hij liefheeft in een staat van eeuwigdurende gelukzaligheid zal terugvinden?

Voel je je op je gemak met de dagelijkse onzekerheden van het leven, met nooit weten wat het volgende ogenblik in petto heeft? Kun je iemand verwijten dat hij zichzelf weet te overtuigen dat hij zichzelf kan waarschuwen en wapenen tegen deze onzekerheden door de toekomst af te leiden uit de bewegingen van de planeten, uit hoe de kaarten vallen, uit het patroon van de theeblaadjes of uit gebeurtenissen in dromen?[3]

Isaac Asimov was een scepticus, een rationalist en een getrainde wetenschapper (en niet te vergeten “de meesterwetenschapsopvoeder van onze tijd en misschien van alle tijden”, zoals hij werd begroet door de Skeptical Inquirer Editor Kendrick Frazier[4]). Hoe dan ook, een triviaal misverstand bracht hem aan de rand van geloof in het bovennatuurlijke – zo dichtbij dat hij er op reageerde. Voor in geval.

Maar Asimov’s verhaal is niet ongewoon, zelfs onder sceptici. Zo werd bijvoorbeeld James Randi (een andere CSICOP-oprichter) ooit eens wakker terwijl hij tegen bij het plafond zweefde en zijn eigen lichaam op het bed zag liggen. Deze ervaring was voor Randi niet alleen schokkend, maar ook overtuigend. Het was, zei hij, “voor mij een zeer sterke ervaring. Ik geloofde echt dat ik door wat ik ervoer, uit mijn lichaam was getreden. Het kwam overeen met wat ik al zo vaak beschreven had gezien.” Het werd hem echter al snel duidelijk dat zijn astrale vlucht zich niet letterlijk had voorgedaan, maar dat het een droom of hallucinatie moest zijn geweest.[5] “Zonder het gelukkige toeval dat de fysieke feiten niet overeenkwamen met mijn waargenomen ervaringen, zou ik u nu vertellen dat ik, naar mijn beste weten, een buitenlichamelijke ervaring had gehad.” Maar wat te denken van diegenen die een dergelijke ervaring hebben zonder het voordeel van Randi’s achtergrond van onderzoek naar het paranormale – of zijn geluk? “Als ze geen enkel overtuigend bewijs van het tegendeel hebben,” bedacht Randi, “wat zou hen dan weerhouden om te zeggen: ‘Ik ben er absoluut zeker van dat ik een buitenlichamelijke ervaring heb gehad?’ … Overweeg dat zorgvuldig en vergeet het niet, want het is een goed voorbeeld van hoe zelfs een aartsscepticus in de val zou kunnen lopen.”

Veel van mijn eigen werk benadrukt ditzelfde punt: het is begrijpelijk dat zoveel goede, slimme mensen ertoe komen om rare dingen te geloven. In feite is het meer dan begrijpelijk, het is vaak heel redelijk. Voor veel mensen in veel situaties is het paranormale de beste verklaring die zij hebben voor de feiten.

En wanneer deze feiten directe, persoonlijke ervaring met het schijnbaar onverklaarbare omvatten dan gelden Asimov’s woorden ook voor mij:

“De sterkste zou ervoor vallen, en ik kan me niet voorstellen dat ik de sterkste ben.”

Bijlange niet.

Referenties
1. Asimov, Isaac. I. Asimov. (Bantam: New York, 1994.) p. 14
2. ibid. p. 337 – 338
3. Asimov, Isaac. “The Perennial Fringe.” Skeptical Inquirer. Vol. 10. Spring, 1986. p. 212
4. Frazier, Kendrick. “A Celebration of Isaac Asimov: A Man for the Universe.” Skeptical Inquirer. Vol. 17. Fall 1992. p. 30
5. Tijdens de OBE zag Randi zijn kat Alice op zijn sprei liggen. Later zag hij dat de kat was buitengesloten en dat die groengele sprei in de was was – en niet op zijn bed. Randi, James. “A Report from the Paranormal Trenches.” Skeptic magazine. Vol. 1, No. 1. 1992. p. 25. Transcribed from a speech given at Caltech on April 12, 1992.
Citaat
Het citaat van vandaag komt van Hippocrates van Kos. Een Griekse arts van rond 450 voor onze jaartelling. Alhoewel de meeste theorieën die Hippocrates had ondertussen achterhaald zijn, wordt hij nog altijd gezien als de vader van de geneeskunde. Zo’n achterhaalde theorie is die van het evenwicht van de lichaamssappen, de zogenaamde humorentheorie. Hij heeft echter ook verdiensten die nu nog altijd waardevol zijn: Hij legde veel nadruk op hygiëne en hij gebruikte de pijnstillende werking van wilgenbast. Dit extract heeft in de 19de eeuw geleid tot de ontwikkeling van aspirine. Hij was ook zeer vernieuwend en controversieel voor zijn tijd toen hij beweerde dat epilepsie een ziekte van het lichaam is en niet de goden die je afslaan omdat je goddeloze dingen deed.Hippocrates zei:

Er zijn in wezen twee dingen: wetenschap en oordeel; de eerste brengt kennis voort, de laatste onwetendheid.

Tot de volgende keer.

Wees de eerste om te reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *